Mediterráneo.
Quizás porque mi niñez
sigue jugando en tu playa
y escondido tras las cañas
duerme mi primer amor,
llevo tu luz y tu olor
por dondequiera que vaya,
y amontonado en tu arena
guardo amor, juegos y penas.
Yo, que en la piel tengo el sabor
amargo del llanto eterno
que han vertido en ti cien pueblos
de Algeciras a Estambul
para que pintes de azul
sus largas noches de invierno.
A fuerza de desventuras,
tu alma es profunda y oscura.
A tus atardeceres rojos
se acostubraron mis ojos
como el recodo al camino.
Soy cantor, soy embustero,
me gusta el juego y el vino,
Tengo alma de marinero.
Qué le voy a hacer, si yo
nací en el Mediterráneo.
Y te acercas, y te vas
después de besar mi aldea.
Jugando con la marea
te vas, pensando en volver.
Eres como una mujer
perfumadita de brea
que se añora y se quiere
que se conoce y se teme.
Ay, si un día para mi mal
viene a buscarme la parca.
Empujad al mar mi barca
con un levante otoñal
y dejad que el temporal
desguace sus alas blancas.
Y a mí enterradme sin duelo
entre la playa y el cielo...
En la ladera de un monte,
más alto que el horizonte.
Quiero tener buena vista.
Mi cuerpo será camino,
le daré verde a los pinos
y amarillo a la genista.
Cerca del mar. Porque yo
nací en el Mediterráneo.
Middellandse Zee
Misschien omdat mijn kindertijd
nog steeds speelt op jouw strand
en verstopt achter het riet
slaapt mijn eerste liefde,
ik neem jouw licht en jouw geur
waar ik ook ga,
en op jouw zand
bewaar ik liefde, spelletjes en verdriet.
Ik, die op mijn huid de smaak
van de eeuwige tranen heb
die honderd dorpen hebben vergoten
van Algeciras tot Istanbul
dat je blauw moet schilderen
hun lange winternachten.
Door de vele tegenslagen,
is jouw ziel diep en donker.
Aan jouw rode zonsondergangen
hebben mijn ogen zich gewend
zoals de bocht aan de weg.
Ik ben een zanger, ik ben een leugenaar,
ik hou van het spel en de wijn,
ik heb de ziel van een zeeman.
Wat kan ik eraan doen, als ik
geboren ben in de Middellandse Zee.
En je komt dichterbij, en je gaat
na het kussen van mijn dorp.
Spelend met de getijden
ga je, denkend aan terugkomen.
Je bent als een vrouw
geurend naar teer
waarvan je verlangt en houdt
waarvan je weet en vreest.
Oh, als op een dag, tot mijn verdriet,
komt de dood mij halen.
Duw mijn boot de zee in
met een herfstachtige oostenwind
en laat de storm
haar witte vleugels verscheuren.
En begraaf mij zonder rouw
tussen het strand en de lucht...
Aan de helling van een berg,
hoger dan de horizon.
Ik wil een mooi uitzicht hebben.
Mijn lichaam zal een pad zijn,
ik zal de dennen groen geven
en de ginst geel.
Dichtbij de zee. Want ik
ben geboren in de Middellandse Zee.