395px

Hoop

Anathema

Hope

I was not put here by anyone in fear
I came alone as me
Just an idea in a long chain of discovery
Surrounded by the same you

Sometimes your tide pulls me out to sea
And I die in a thrashing curse
Sometimes we are kind
More often, I doze
So far up the beach that those who try to reach are burnt
Alive in the searing heat of the desert of my dispassion
So far removed, I never hear the water
'Cept once or twice a month when I see a mirror

And I refuse to believe in some of the things that are said to behere
Let alone those that are not
I'm trying to change my direction
Ours is pathetic in my own humble estimation

I love the planet
The great benign she-wolf
Benefactor
Spinning gently on towards the red giant four aeons hence
When all the rose gardens are consumed in the flash-fire offlying time
She'll leave alone to you

When you look at me
From your own century
I may seem to be strange archeology
But when the winds blow from this direction
You may sense that I'm in your reflection
I think I feel you, but I will never know
As the swallows leave
And the children grow

I wanted to live forever
The same as you will too
I wanted to live forever
And everybody knew

When I caught you there in tomorrows mirror
I thought felt you jump out of my skin
Throwing oil into my blazing memories
Filling empty footsteps I was standing in

I wanted to live forever
The same as you will too
I wanted to live forever
And everybody knew

With the falling rain of the northern jungle
Hanging droplets on the leaves
Bombards my brain
I hear you
Across the room
A sea of daffodils spring into bloom
You are the mist
The frost across my window pane
And again

She moves her body
And her whispers weave
And the world spins
And tells me that I'll never wanna leave

When I look at you from this dark century
It must always be with generosity
That we both may share the hope in hearing
That we're not just spirits disappearing

Hoop

Ik ben hier niet door iemand in angst neergezet
Ik kwam alleen als mezelf
Gewoon een idee in een lange keten van ontdekking
Omringd door dezelfde jij

Soms trekt jouw getij me de zee in
En sterf ik in een woedende vloek
Soms zijn we vriendelijk
Vaker doe ik een dutje
Zo ver op het strand dat degenen die proberen te bereiken verbrand worden
Levend in de verzengende hitte van de woestijn van mijn onverschilligheid
Zo ver verwijderd, hoor ik het water nooit
Behalve één of twee keer per maand als ik een spiegel zie

En ik weiger te geloven in sommige dingen die hier gezegd worden
Laat staan diegene die er niet zijn
Ik probeer mijn richting te veranderen
De onze is zielig in mijn eigen bescheiden schatting

Ik hou van de planeet
De grote goedaardige wolvin
Weldoener
Zachtjes draaiend naar de rode reus over vier aeons
Wanneer alle rozentuinen verbrand zijn in de flitsvlam van de voorbijgaande tijd
Zal ze alleen aan jou overlaten

Wanneer je naar me kijkt
Vanuit jouw eigen eeuw
Lijk ik misschien vreemde archeologie
Maar wanneer de winden uit deze richting waaien
Voel je misschien dat ik in jouw reflectie ben
Ik denk dat ik je voel, maar ik zal het nooit weten
Terwijl de zwaluwen vertrekken
En de kinderen opgroeien

Ik wilde voor altijd leven
Net zoals jij ook zult
Ik wilde voor altijd leven
En iedereen wist het

Toen ik je daar in de spiegel van morgen zag
Dacht ik dat ik je uit mijn huid voelde springen
Olie gooiend in mijn brandende herinneringen
Vullend met lege voetstappen waar ik in stond

Ik wilde voor altijd leven
Net zoals jij ook zult
Ik wilde voor altijd leven
En iedereen wist het

Met de vallende regen van de noordelijke jungle
Hangende druppels op de bladeren
Bombardeert mijn brein
Ik hoor je
Aan de andere kant van de kamer
Een zee van narcissen komt in bloei
Jij bent de mist
De vorst op mijn raam
En weer

Ze beweegt haar lichaam
En haar fluisteringen weven
En de wereld draait
En vertelt me dat ik nooit wil vertrekken

Wanneer ik naar je kijk vanuit deze donkere eeuw
Moet het altijd met vrijgevigheid zijn
Dat we beiden de hoop delen in het horen
Dat we niet zomaar geesten zijn die verdwijnen

Escrita por: David Gilmour / Roy Harper