Adagio A Mi País
En mi país, qué tristeza,
la pobreza y el rencor...
Dice mi padre que ya llegará
desde el fondo del tiempo otro tiempo
y me dice que el sol brillará
sobre un pueblo que él sueña labrando
su verde solar.
En mi país, qué tristeza,
la pobreza y el rencor.
Tú no pediste la guerra,
madre Tierra, yo lo sé.
Dice mi padre que un solo traidor
puede con mil valientes,
él siente que el pueblo en su inmenso dolor
hoy se niega a beber de la fuente clara
del honor.
En mi país somos duros,
el futuro, lo dirá.
Canta mi pueblo una canción de paz,
detrás de cada puerta está alerta mi pueblo
y ya nadie podrá silenciar su canción...
y mañana también cantará.
En mi país, qué tibieza,
cuando empieza a amanecer.
Dice mi pueblo que puede leer
en su mano de pueblo el destino
y que no hay adivino ni rey
que le pueda marcar el camino
que va a recorrer.
En mi país, qué tibieza,
cuando empieza a amanecer.
Adagio Voor Mijn Land
In mijn land, wat een verdriet,
de armoede en de wrok...
Zegt mijn vader dat er een tijd zal komen
uit de diepten van de tijd, een andere tijd
en hij zegt dat de zon zal stralen
over een volk dat hij droomt te bewerken
zijn groene zonneschijn.
In mijn land, wat een verdriet,
de armoede en de wrok.
Jij vroeg niet om de oorlog,
moeder Aarde, dat weet ik.
Zegt mijn vader dat één verrader
evenveel kan als duizend dappere,
hij voelt dat het volk in zijn immense pijn
vandaag weigert te drinken uit de heldere bron
geluk.
In mijn land zijn we sterk,
de toekomst zal het leren.
Zingt mijn volk een lied van vrede,
achter elke deur is mijn volk waakzaam
en niemand zal zijn lied kunnen doen zwijgen...
en morgen zal het ook zingen.
In mijn land, wat een lauwheid,
wanneer de dageraad aanbreekt.
Zegt mijn volk dat het kan lezen
in zijn volkshand het lot
en dat er geen waarzegger of koning is
hem de weg kan wijzen
die hij zal bewandelen.
In mijn land, wat een lauwheid,
wanneer de dageraad aanbreekt.