Jesús y sus discípulos en el huerto
Antorchas, linternas, armas
refulgieron esa noche,
los guardias van enviados
por los sumos sacerdotes.
Judas que lo entregaría
ya conocía ese huerto,
la traición la había fraguado
escuchando a su maestro.
"Soldados, ¿a quién buscáis?"
preguntó Cristo, sereno.
Los soldados le responden:
"A Jesús, el nazareno".
Yo soy, yo soy,
yo soy el que andan buscando
entre los que me acompañan.
Yo soy Jesús nazareno,
dejadles, pues, que se vayan.
Vuelve, vuelve,
vuelve tu espada a la vaina,
pues el momento ha llegado.
Tengo que beber el cáliz
que mi padre me ha enviado.
Jezus en zijn leerlingen in de tuin
Fakkels, lantaarns, wapens
flonkerden die nacht,
de bewakers zijn gestuurd
door de hogepriesters.
Judas, die hem zou verraden,
kende deze tuin al,
de verraad had hij gesmeed
terwijl hij naar zijn meester luisterde.
"Soldaten, wie zoeken jullie?"
vroeg Christus, kalm.
De soldaten antwoorden:
"Jezus, de nazoreeër."
Ik ben het, ik ben het,
ik ben degene die jullie zoeken
tussen degenen die mij vergezellen.
Ik ben Jezus de nazoreeër,
laat hen maar gaan.
Keer terug, keer terug,
steek je zwaard weer in de schede,
want het moment is gekomen.
Ik moet de beker drinken
die mijn vader mij heeft gestuurd.