395px

Mijn Verdriet

Armando Martínez

Mi Tristeza

Como será mi tristeza (bis)
Si yo logro llega a anciano,
Cuando mis manos no puedan (bis)
Limpiarle el lomo a un caballo

Acomodarle una silla
Tampoco sacudí un falso
Quizás ni ponerle el freno
Ni mucho menos montarlo,
Ese es el peor castigo
Que me podrán dar los años.

Porque yo toda la vida
Se la he dedicado al llano,
Y al ver que no pueda hacer
Lo que hice cuando chavalo,
Los pocos días que me quedan
Los iré a pasa es pensando.

No volveré a toria un toro (bis)
Ni a cruzar un río nadando,
Tampoco ordeña una vaca (bis)
Ni a trajinar en el barro.

No vuelvo a pica una soga
Ni a marcar un orejano,
Y tal vez ni peque un lazo
En un mastrantal quemado,
Ni a sacar una tarea
Con los soles de verano.

No volveré a amanecer
Al pie de un arpa cantando,
Entre palos de aguardiente
Con una muchacha al lado
Bregando el verso ladino
Con copleros veteranos.

Tal vez no luzca un sombrero (bis)
Borsalino o pelo e guama,
Ni mi liquilique nuevo ( bis)
De pasia en pueblos lejanos.

No vuelvo a entra a una manga
Luciendo un brioso caballo,
Ni volveré a saborear
La dulzura de unos labios,
Que después de una coleada
Eran el mejor regalo.

No vuelvo a entra a una gallera
Ni podré amolar un gallo,
Ni en una mesa de juegos
Hacer corré un par de dados,
Ni a peliá como se hacía
Solo pa proba un paisano.

No volveré a trasnochar (bis)
La gente en mi vecindario,
Yo que hacía las noches días (bis)
Por esos caminos largos.

Y donde me amanecía
Mantenía el mismo entusiasmo,
Yo que eché mil travesías
Sin necesidad de baquiano,
Siempre dejando en la vía
Muchos retoños sembrados.

Que con el tiempo darán
La misma sombra de este árbol,
Y al pensá en lo que yo fui
Y al ver que seré de anciano,
Me pararé en una esquina
A ver parriba y pa abajo.

Mijn Verdriet

Hoe zal mijn verdriet zijn (bis)
Als ik oud en grijs ben,
Wanneer mijn handen niet meer kunnen (bis)
De rug van een paard schoonmaken.

Een zadel op zijn rug leggen,
Ook geen leugen meer rechtzetten,
Misschien kan ik hem niet meer bedwingen,
En al helemaal niet meer rijden,
Dat is de ergste straf
Die de jaren me kunnen geven.

Want ik heb mijn hele leven
Aan de vlaktes gewijd,
En als ik niet meer kan doen
Wat ik deed als jongeman,
De weinige dagen die me resten
Zal ik doorbrengen met denken.

Ik zal geen stier meer temmen (bis)
Of een rivier overzwemmen,
Ook geen koe meer melken (bis)
Of in de modder ploeteren.

Ik zal geen touw meer knopen
Of een oortje merken,
En misschien zal ik zelfs geen lasso gooien
In een verbrand veld,
Of een taak volbrengen
Met de zon van de zomer.

Ik zal niet meer wakker worden
Aan de voet van een harp zingend,
Tussen flessen sterke drank
Met een meisje aan mijn zijde,
Vechtend met de woorden
Met oude troubadours.

Misschien draag ik geen hoed meer (bis)
Borsalino of van guama,
En mijn nieuwe liquilique (bis)
Van een reis in verre dorpen.

Ik ga niet meer een arena in
Met een fier paard,
En ik zal niet meer proeven
Van de zoetheid van lippen,
Die na een worp
Het beste cadeau waren.

Ik ga niet meer naar een hanengevecht
Of een haan slijpen,
Of aan een speeltafel
Een paar dobbelstenen gooien,
Of vechten zoals vroeger
Simpelweg om een dorpsgenoot te testen.

Ik zal niet meer nachten doorhalen (bis)
De mensen in mijn buurt,
Ik die de nachten dagen maakte (bis)
Over die lange wegen.

En waar ik wakker werd
Behield ik dezelfde enthousiasme,
Ik die duizend reizen maakte
Zonder een gids nodig te hebben,
Altijd achterlatend op de weg
Veel zaailingen geplant.

Die met de tijd zullen geven
Dezelfde schaduw als deze boom,
En als ik denk aan wie ik was
En zie wat ik als oude man zal zijn,
Zal ik op een hoek stoppen
Om omhoog en omlaag te kijken.

Escrita por: