Las Ciudades
Y entonces fue que dijimos, señor, danos la gracia de
Levantar ciudades iguales a los árboles, que llegan a estar maduros
Antes de quedarse secos, Génesis, Capítulo 1972, versículo primero
Del futuro testamento
Ciudades, fundadas para odiar
Ciudades, tan altas, ¿para qué?
Ciudades, cadáveres de pie
Ciudades, al polvo volverán
Ciudades, fundadas para odiar
Ciudades, tan altas, ¿para qué?
Ciudades, cadáveres de pie
Ciudades, al polvo volverán
Si aquí la estrella no se ve jamás
Y aquí la tierra y sierra y Sol se van
Y reinará la soledad total
Que escrita fue la destrucción final
Ciudades, fundadas para odiar
Ciudades, tan altas, ¿para qué?
Ciudades, cadáveres de pie
Ciudades, al polvo volverán
Qué lindo será reconstruir
Querido, bésame hasta engendrar un hijo
Con vuelo de albañil en paz
Qué lindo me nacé una ciudad
Qué calle me sangra por los pies
Qué fuente parió mi corazón con fe?
Y en cada charco habrá un pichón de mar
Y en cada fragua un inventor de Sol
Y en cada puerta la inscripción astral
Y en cada triste un aprendiz de Dios
Ciudades, ciudades ¿qué serán?
Ciudades, sentí su anunciación
Ciudades ya empiezo a construir
Ciudades, del polvo volverán
Ciudades, ciudades ¿qué serán?
Ciudades, sentí su anunciación
Ciudades ya empiezo a construir
Ciudades, del polvo volverán
De Steden
En toen zeiden we, heer, geef ons de genade om
Steden te bouwen zoals de bomen, die rijp zijn
Voordat ze verdorren, Genesis, Hoofdstuk 1972, vers 1
Van het toekomstige testament
Steden, opgericht om te haten
Steden, zo hoog, waarvoor?
Steden, rechtopstaande lijken
Steden, ze zullen vergaan in stof
Steden, opgericht om te haten
Steden, zo hoog, waarvoor?
Steden, rechtopstaande lijken
Steden, ze zullen vergaan in stof
Als hier de ster nooit te zien is
En hier de aarde, bergen en zon verdwijnen
En de totale eenzaamheid zal heersen
Die de uiteindelijke vernietiging beschrijft
Steden, opgericht om te haten
Steden, zo hoog, waarvoor?
Steden, rechtopstaande lijken
Steden, ze zullen vergaan in stof
Wat zal het mooi zijn om te herbouwen
Liefste, kus me tot we een kind verwekken
Met de vlucht van een metselaar in vrede
Wat mooi om een stad te laten ontstaan
Welke straat bloedt er onder mijn voeten?
Welke bron heeft mijn hart met geloof gebaard?
En in elke plas zal een duif van de zee zijn
En in elke smidse een uitvinder van de zon
En op elke deur de astrale inscriptie
En in elke treurige een leerling van God
Steden, steden, wat zullen ze zijn?
Steden, ik voelde hun aankondiging
Steden, ik begin al te bouwen
Steden, ze zullen vergaan in stof
Steden, steden, wat zullen ze zijn?
Steden, ik voelde hun aankondiging
Steden, ik begin al te bouwen
Steden, ze zullen vergaan in stof