Milonga Del Peón de Campo
Yo nunca tuve tropilla
Siempre he montado en ajeno
Tuve un zaino que, de bueno
Ni pisaba la gramilla
Vivo una vida sencilla
Como es la del pobre peón
Madrugón tras madrugón
Con lluvia, escarcha o pampero
A veces, me duelen fiero
Los hígados y el riñón
Soy peón de La Estancia Vieja
Partido de Magdalena
Y aunque no valga la pena
Anoten, que no son quejas
Un portón lleno de rejas
Y allá, en el fondo, un chalé
Lo recibirá un valet
Que anda siempre disfrazado
Mas no se asuste, cuñado
Y por mí pregúntele
Ni se le ocurra decir
Que viene pa' visitarme
Diga que viene a cobrarme
Y lo han de dejar dentrar
Allá le van a indicar
Que siga los ucalitos
Al final, está un ranchito
Que han levantado estas manos
Esa es su casa, paisano
Ahí puede pegar el grito
Allá le voy a mostrar
Mi mancarrón, mis dos perros
Unas espuelas de fierro
Y un montón de cosas más
Si es entendido, verá
Un poncho de fina trama
Y el retrato de mi Mama
Que es ande rezo pensando
Mientras lo voy adornando
Con florcitas de retama
¿Qué puede ofertarle un peón
Que no sean sus pobrezas?
A veces me entra tristeza
Y otras veces, rebelión
En más de alguna ocasión
Quisiera hacerme perdiz
Para ver de ser feliz
En algún pago lejano
Pero a la verdad, paisano
Me gusta el aire de aquí
Milonga van de Boerenknecht
Ik heb nooit een kudde gehad
Altijd zat ik op andermans paard
Had een steiger, die, als het kan
Nooit de grassprieten raakte
Leef een eenvoudig leven
Zoals dat van de arme knecht
Ochtend na ochtend
Met regen, vorst of zuidenwind
Soms doet het me echt zeer
Mijn lever en mijn nier
Ik ben knecht van La Estancia Vieja
In het gebied Magdalena
En hoewel het niks waard is
Schrijf op, het zijn geen klachten
Een poort vol met hekken
En daar, op de achtergrond, een chalet
Een valet zal je ontvangen
Die altijd verkleed is
Maar schrik niet, zwager
En vraag het gerust aan me
Zeg alsjeblieft niet
Dat hij komt om me te bezoeken
Zeg dat hij komt om te incasseren
En ze zullen hem binnenlaten
Daar zullen ze hem wijzen
Dat hij de ucalitos moet volgen
Achteraan staat een hut
Die deze handen hebben opgetrokken
Dat is zijn huis, makker
Daar kan hij zijn kreet leggen
Daar zal ik hem laten zien
Mijn paard, mijn twee honden
Wat sporen van ijzer
En nog een hoop meer
Als hij verstand heeft, zal hij zien
Een poncho van fijne stof
En het portret van mijn moeder
Die is waar ik overbid denkend
Terwijl ik het versier
Met bloemetjes van retama
Wat kan een knecht je aanbieden
Behalve zijn armoede?
Soms komt de droefheid binnen
En soms ook de opstand
In meer dan één geval
Zou ik een patrijs willen worden
Om gelukkig te zijn
In een ver gebied
Maar eerlijk gezegd, makker
Hou ik van de lucht hier.