Der Geiger
Und der Geiger spielt ein Wiegenlied
Wozu sich der Tod im Rhythmus wiegt
Kaum erglommen lässt das Leben seinen Glanz
Denn der Schnitter reicht ihm die Hand zum Tanz
Peinvoll ward es ausgeworfen
Ein warmes Bad ihm eingefüllt
Mit Rosenwasser eingesalbt
Schnell in Lumpen eingehüllt
Ließ die Wöchnerin ihr Leben
War es dem Heiland hingegeben
Starb ihr des Vaters Kind
Dem Leib wuchs neue Frucht geschwind
Was niederkam bar Sakrament
Was Gottvater nicht anerkennt
Durch der Mutter mächt'ge Hand
Den frühen Tod im Wasser fand
Von Fünfen Zwei hinweggerafft
Bleiben Drei den Pocken
Von Dreien noch Eins fortgeschafft
Kann Zwei der Schnitter locken
"Der Mond ist aufgegangen
die goldnen Sternlein prangen
am Himmel hell und klar
Der Wald steht schwarz und schweiget
und aus den Wiesen steiget
der weiße Nebel wunderbar."
Und's Kindchen findet bald, fürwahr
Sein Grab noch vor dem vierten Jahr
Und's Kindchen findet, sonderbar
Sein Grab im Bett der Eltern gar
Und's Kindchen findet, teufelsnah
Sein Grab im tiefsten Brunnen da
Und's Kindchen findet, heissassa
Sein Grab, wo einst nur Asche war
Æschatologia
Und unter Decken warm verborgen
Sieht's ihn den Geigenbogen biegen
Und wird am nächsten Morgen
Klamm in der Wiege liegen
De Vioolspeler
En de vioolspeler speelt een wiegelied
Waarbij de dood zich in het ritme wiegt
Slechts flonkerend laat het leven zijn glans zien
Want de maaier reikt hem de hand voor de dans
Pijnvol werd het uitgeworpen
Een warm bad werd hem gevuld
Met rozenwater ingesmeerd
Snel in vodden gewikkeld
Liet de kraamvrouw haar leven
Was het aan de Heiland gegeven
Stierf haar vaders kind
De baarmoeder kreeg snel nieuwe vruchten
Wat zonder sacrament neerkwam
Wat God de Vader niet erkent
Vond door de machtige hand van de moeder
De vroege dood in het water
Van vijf zijn er twee weggevaagd
Blijven drie met de pokken
Van drie is er nog één weggehaald
Kan de maaier twee lokken
"De maan is opgekomen
De gouden sterretjes stralen
Aan de hemel helder en klaar
Het bos staat zwart en zwijgt
En uit de weilanden stijgt
De witte nevel wonderbaar."
En het kind vindt snel, waarachtig
Zijn graf nog voor het vierde jaar
En het kind vindt, vreemd genoeg
Zijn graf in het bed van de ouders
En het kind vindt, duivels dichtbij
Zijn graf in de diepste put daar
En het kind vindt, heus waar
Zijn graf, waar eens alleen as was
Æschatologie
En onder warme dekens verborgen
Ziet hij de vioolboog buigen
En zal de volgende ochtend
Koud in de wieg liggen.