Balada Para uma Velhinha
Num banco de jardim uma velhinha
está tão só com a sombrinha
que é o seu pano de fundo.
Num banco de jardim uma velhinha
está sozinha, não há coisa
mais triste neste mundo.
E apenas faz ternura, não faz pena,
não faz dó,
pois tem no rosto um resto de frescura.
Já coseu alpergatas e
bandeiras verdadeiras.
Amargou a pobreza até ao fundo.
Dos ossos fez as mesas e as cadeiras,
as maneiras
que a fazem estar sentada sobre o mundo.
Neste jardim ela
à trepadeira das canseiras
das rugas onde o tempo
é mais profundo.
Num banco de jardim uma velhinha
nunca mais estará sozinha,
o futuro está com ela,
e abrindo ao sol o negro da
sombrinha poidinha,
o sol vem namorá-la da janela.
Se essa velhinha fosse
a mãe que eu quero,
a mãe que eu tinha,
não havia no mundo outra mais bela.
Num banco de jardim uma velhinha
faz desenhos nas pedrinhas
que, afinal, são como eu.
Sabe que as dores que tem também são minhas,
são moinhas do filho a desbravar que Deus lhe deu.
E, em volta do seu banco, os
malmequeres e as andorinhas
provam que a minha mãe nunca morreu.
Ballade Voor een Oude Vrouw
Op een tuinbank zit een oude vrouw
zo alleen met haar parasol
als achtergrond voor haar leven.
Op een tuinbank zit een oude vrouw
is ze alleen, er is niets
trister in deze wereld.
En ze straalt alleen maar liefde uit, geen medelijden,
geen verdriet,
want op haar gezicht zit nog een vleugje frisheid.
Ze heeft al slippers genaaid en
echte vlaggen.
Ze heeft de armoede tot op de bodem doorstaan.
Van botten maakte ze tafels en stoelen,
manieren
waardoor ze op de wereld kan zitten.
In deze tuin
bij de klimplanten van de zorgen
waar de rimpels zijn waar de tijd
dieper is.
Op een tuinbank zit een oude vrouw
nooit meer alleen,
de toekomst is met haar,
en terwijl ze de zwarte van
haar versleten parasol opent,
komt de zon haar vanuit het raam verleiden.
Als die oude vrouw
de moeder was die ik wil,
de moeder die ik had,
was er niemand mooier in de wereld.
Op een tuinbank maakt een oude vrouw
tekeningen op de steentjes
die, uiteindelijk, net als ik zijn.
Ze weet dat de pijn die ze voelt ook de mijne is,
het zijn de zorgen van de zoon die God haar gaf.
En om haar bank heen,
de madeliefjes en de zwaluwen
bewijzen dat mijn moeder nooit is gestorven.