La retrechera
Habanera del tiempo que era
como la rosa de aquel percal,
prendida al ruedo de la pollera
de la morocha sentimental...
Habanera que siempre espera
la misma luna sobre el fangal,
y era compadre de pendenciera,
de pendenciera como un puñal...
¿Qué tal...
si bailamos así, taconeando? ¿Qué tal?
Igual,
igual que en los bailes de aquel Carnaval...
¿Qué tal...
si de paso le doy un abrazo? ¿Qué tal?
Y en señal de copada,
con una sentada... (Hablado: así...)
le damos final...
Habanera, la retrechera
que se bailaba de corazón.
Ellos usaban la bigotera
y ellas meneaban el polizón...
Habanera, la verdadera
que en el bailongo del corralón,
era perfume de enredadera
y era quebrada de compadrón...
De Retrechera
Habanera van de tijd die was
zoals de roos van die stof,
vastgeklemd aan de rand van de rok
van de sentimentele meid...
Habanera die altijd wacht
op dezelfde maan boven de modder,
en was maat van de vechtjas,
van de vechtjas als een mes...
Wat dacht je...
als we zo dansen, met hakken? Wat dacht je?
Net als,
net als op de dansfeesten van dat Carnaval...
Wat dacht je...
als ik je ook een knuffel geef? Wat dacht je?
En als teken van een goede tijd,
met een zitje... (Gesproken: zo...)
geven we het een einde...
Habanera, de retrechera
die je met je hart danste.
Zij droegen een snorretje
en zij wiegden de polizón...
Habanera, de echte
die in de danszaal van de schuur,
was de geur van klimop
en was gebroken van de maat...