395px

Lied Van Durin

Clamavi De Profundis

Song Of Durin

The world was young, the mountains green
No stain yet on the Moon was seen
No words were laid on stream or stone
When Durin woke and walked alone
He named the nameless hills and dells
He drank from yet untasted wells
He stooped and looked in Mirrormere
And saw a crown of stars appear
As gems upon a silver thread
Above the shadows of his head

The world was fair, the mountains tall
In Elder Days before the fall
Of mighty kings in Nargothrond
And Gondolin, who now beyond
The Western Seas have passed away
The world was fair in Durin's Day

A king he was on carven throne
In many-pillared halls of stone
With golden roof and silver floor
And runes of power upon the door
The light of sun and star and moon
In shining lamps of crystal hewn
Undimmed by cloud or shade of night
There shone for ever fair and bright

There hammer on the anvil smote
There chisel clove, and graver wrote
There forged was blade, and bound was hilt
The delver mined, the mason built
There beryl, pearl, and opal pale
And metal wrought like fishes' mail
Buckler and corslet, axe and sword
And shining spears were laid in hoard

Unwearied then were Durin's folk
Beneath the mountains music woke
The harpers harped, the minstrels sang
And at the gates the trumpets rang

The world is grey, the mountains old
The forge's fire is ashen-cold
No harp is wrung, no hammer falls
The darkness dwells in Durin's halls
The shadow lies upon his tomb
In Moria, in Khazad-dûm
But still the sunken stars appear
In dark and windless Mirrormere
There lies his crown in water deep
Till Durin wakes again from sleep

Lied Van Durin

De wereld was jong, de bergen groen
Geen vlek op de Maan was te zien
Geen woorden lagen op stroom of steen
Toen Durin wakker werd en alleen liep
Hij noemde de naamloze heuvels en dalen
Hij dronk uit nog ongeproefde bronnen
Hij bukte en keek in Mirrormere
En zag een kroon van sterren verschijnen
Als edelstenen op een zilveren draad
Boven de schaduwen van zijn hoofd

De wereld was mooi, de bergen hoog
In de Oudere Dagen voor de val
Van machtige koningen in Nargothrond
En Gondolin, die nu voorbij
De Westelijke Zeeën zijn gegaan
De wereld was mooi in Durins Tijd

Een koning was hij op een gebeeldhouwde troon
In zalen van steen met vele pilaren
Met een gouden dak en een zilveren vloer
En runen van kracht op de deur
Het licht van zon en ster en maan
In schitterende lampen van kristal gehouwen
Onverduisterd door wolk of schaduw van de nacht
Schitterde voor altijd mooi en helder

Daar sloeg de hamer op de aambeeld
Daar kloofde de beitel, en schreef de graveerder
Daar werd het zwaard gesmeed, en de gevest gebonden
De delver groef, de metselaar bouwde
Daar beryl, parel, en bleke opaal
En metaal gesmeed als vissenmail
Schilden en harnassen, bijl en zwaard
En glanzende speren werden in de schat gelegd

Onvermoeibaar waren toen Durins volk
Onder de bergen wekte muziek
De harpisten harpten, de minstrelen zongen
En bij de poorten klonken de trompetten

De wereld is grijs, de bergen oud
Het vuur van de smeder is as-koud
Geen harp wordt bespeeld, geen hamer valt
De duisternis woont in Durins zalen
De schaduw ligt op zijn graf
In Moria, in Khazad-dûm
Maar nog steeds verschijnen de verzonken sterren
In het donkere en windstille Mirrormere
Daar ligt zijn kroon in diep water
Tot Durin weer ontwaakt uit zijn slaap

Escrita por: J. R. R. Tolkien