395px

Aan de Lima en de Citroen

Concha Piquer

A La Lima Y Al Limon

La vecinita de enfrente no, no,
no tiene los ojos grandes.
Ni tiene el talle de espiga, no, no,
ni son su labios de sangre.
Nadie se acerca a su reja,
nadie llama en sus cristales.
Que sólo el vieno de noche
es quien le ronda la calle.
Y los niños cantan a la rueda, rueda.
Esta triste copla que el viento le lleva.
A la Lima y al Limón,
tu no tienes quien te quiera.
A la Lima y al Limón,
te vas a quedar soltera.
Que penita y que dolor.
Que penita y que dolor,
la vecinita de enfrente soltera se quedó.
Solterita se quedó.
A la Lima y al Limón.
La vecinita de enfrente no, no,
nunca pierde la esperanza.
Y espera de noche y día, si, si,
a quel amor que no pasa.
Se han casado sus amigas,
se han casado sus hermanas.
Y ella compuesta y sin novio
se ha quedado en la ventana.
Y los niños cantan a la rueda, rueda.
El mismo estribillo que el viento le lleva.
A la Lima y al Limón,
tu no tienes quien te quiera.
A la Lima y al Limón,
te vas a quedar soltera.
Que penita y que dolor.
Que penita y que dolor,
la vecinita de enfrente soltera se quedó.
Solterita se quedó.
A la Lima y al Limón.
La vecinita de enfrente si, si,
a los treinta se ha casado,
con un señor de cincuenta, si, si,
que dicen que es magistrado.
Lo luce por los paseos,
lo luce por los teatros.
Y va siempre por la calle
cogidita de su brazo.
Y con ironía siempre tararea,
el mismo estribillo de la rueda, rueda.
A la Lima y al Limón,
que ya tengo quien me quiera
A la Lima y al Limón,
que no me quedé soltera.
Ya mi pena se acabó.
Ya mi pena se acabó,
que un hombre llamó a mi puerta y le dí mi corazón,
y conmigo se casó.
A la Lima y al Limón.

Aan de Lima en de Citroen

De buurvrouw tegenover niet, niet,
heeft geen grote ogen.
En ze heeft niet de taille van een aar, niet, niet,
haar lippen zijn niet van bloed.
Niemand komt bij haar hek,
niemand klopt op haar ramen.
Want alleen de wind 's nachts
is diegene die de straat rondloopt.
En de kinderen zingen in het rond, rond.
Dit treurige liedje dat de wind meeneemt.
Aan de Lima en de Citroen,
jij hebt niemand die van je houdt.
Aan de Lima en de Citroen,
je gaat alleen blijven.
Wat een verdriet en wat een pijn.
Wat een verdriet en wat een pijn,
de buurvrouw tegenover is alleen gebleven.
Alleen gebleven.
Aan de Lima en de Citroen.
De buurvrouw tegenover niet, niet,
verliest nooit de hoop.
En ze wacht dag en nacht, ja, ja,
op die liefde die niet komt.
Haar vriendinnen zijn getrouwd,
haar zussen zijn getrouwd.
En zij, netjes en zonder vriend,
is in het raam blijven zitten.
En de kinderen zingen in het rond, rond.
Hetzelfde refrein dat de wind meeneemt.
Aan de Lima en de Citroen,
jij hebt niemand die van je houdt.
Aan de Lima en de Citroen,
je gaat alleen blijven.
Wat een verdriet en wat een pijn.
Wat een verdriet en wat een pijn,
de buurvrouw tegenover is alleen gebleven.
Alleen gebleven.
Aan de Lima en de Citroen.
De buurvrouw tegenover ja, ja,
heeft op dertigjarige leeftijd getrouwd,
met een man van vijftig, ja, ja,
die zeggen dat hij rechter is.
Ze laat hem zien in de parken,
ze laat hem zien in de theaters.
En ze loopt altijd op straat
met zijn arm om haar heen.
En met ironie neuriet ze altijd,
hetzelfde refrein van het rond, rond.
Aan de Lima en de Citroen,
want ik heb nu iemand die van me houdt.
Aan de Lima en de Citroen,
want ik ben niet alleen gebleven.
Mijn verdriet is voorbij.
Mijn verdriet is voorbij,
want een man klopte op mijn deur en ik gaf hem mijn hart,
en hij trouwde met mij.
Aan de Lima en de Citroen.

Escrita por: Manuel Quiroga