Cancion de Lejos
Me voy, amor. Si soy motivo para el olvido,
decime adios; decímelo.
Que la paloma de tu pañuelo
me diga no; me diga adiós.
Me dices no. Pero tus ojos se van conmigo
por donde voy; huellita soy,
que va y que vuelve como dos veces:
el rio a mí ; el cielo a vos.
¡Qué sencillo modo
tuvo el cariño entre vos y yo:
tan sólo un pañuelo, en donde el cielo
se me olvidó; se te olvidó!
Humito azul, que sube y sube
desde la leña quemándose; quemándome.
Como la luna que con tu ausencia
me sale a ver, quemándome.
Ausente soy como paloma
herida en un ala: penando estoy.
Me suelen ver a medio vuelo
de tu pañuelo, buscándote; buscándome.
Lied van Ver weg
Ik ga, liefje. Als ik de reden ben voor de vergeten,
zeg me vaarwel; zeg het me.
Dat de duif van jouw zakdoek
nee tegen me zegt; me vaarwel zegt.
Je zegt nee. Maar je ogen gaan met me mee
waar ik ook ga; ik ben een voetstap,
die komt en gaat als twee keer:
de rivier naar mij; de lucht naar jou.
Wat een simpele manier
had de liefde tussen jou en mij:
alleen een zakdoek, waar de lucht
ik vergat; jij vergat!
Blauw rook, die stijgt en stijgt
van het brandende hout; die me verbrandt.
Als de maan die met jouw afwezigheid
me komt bekijken, me verbrandend.
Afwezig ben ik als een duif
gewond aan een vleugel: ik lijd.
Ze zien me vaak halverwege de vlucht
van jouw zakdoek, jou zoekend; mezelf zoekend.