395px

Allí Estaban Siete Renacuajos

Duo Karst

Daar Zaten Zeven Kikkertjes

Daar zaten zeven kikkertjes al in een boeren sloot
De sloot was toegevroren, ze waren hallef dood
Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
Van honger en verdriet
Daar zaten zeven kikkertjes al in een boeren sloot

De jongste die een wijsneus was zei tot zijn
kameraad:
Die malle nachtegalen, wat hebben die een praat
Was eerst het ijs maar in de dooi
Wij zongen eens zo mooi
Daar zaten zeven kikkertjes al in een boeren sloot

De milde, lieve lente kwam, zij kwaakten 'd oude wijs
Als zij dat zingen noemen, wens ik ze weer in 't ijs
Ik geef die kikkers allemaal
Voor ene nachtegaal
Daar zaten zeven kikkertjes al in een boeren sloot

Allí Estaban Siete Renacuajos

Allí estaban siete renacuajos en un charco de granjero
El charco estaba congelado, estaban medio muertos
No croaban, no cantaban
De hambre y tristeza
Allí estaban siete renacuajos en un charco de granjero

El más joven, que era un sabelotodo, le dijo a su camarada:
Esos tontos ruiseñores, ¡qué tanto hablan!
Si tan solo el hielo se derritiera
Cantábamos tan hermoso antes
Allí estaban siete renacuajos en un charco de granjero

La suave y dulce primavera llegó, cantaban la vieja melodía
Si eso llaman cantar, deseo que vuelvan al hielo
Les doy a todos esos renacuajos
Por un ruiseñor
Allí estaban siete renacuajos en un charco de granjero

Escrita por: