Bamberas
¡ay cómo relumbraba!
¡ay cómo relumbra!
¡ay cómo se cimbrea la casada!
¡ay qué blanca
La triste casada!
¡ay cómo se queja entre las ramas!
Amapola y clavel serás luego,
Cuando el macho despliegue su capa.
Siete veces gemía,
Nueve se levantaba.
Quince veces juntaron
Jazmines con naranjas.
Si tú vienes a la romería
A pedir que tu vientre se abra,
No te pongas un velo de luto,
Sin dulce camisa de holanda.
Vete sola detrás de los muros,
Donde están las higueras cerradas,
Y soporta mi cuerpo de tierra
Hasta el blanco gemido del alba.
Y en seguida vino la noche.
¡ay que la noche llegaba!
Mirad qué oscuro se pone
El chorro de la montaña.
Bamberas
Oh, hoe schitterend het was!
Oh, hoe het schittert!
Oh, hoe de getrouwde vrouw zich beweegt!
Oh, wat een wit
De treurige getrouwde vrouw!
Oh, hoe ze zich tussen de takken beklaagt!
Amapola en anjer zul je later zijn,
Wanneer de man zijn cape opent.
Zeven keer zuchtte ze,
Negen keer stond ze op.
Vijftien keer verzamelden ze
Jasmijnen met sinaasappels.
Als jij naar de romería komt
Om te vragen dat je buik zich opent,
Doe dan geen rouwsluier om,
Zonder een zoete hemd van holland.
Ga alleen achter de muren,
Waar de vijgenbomen gesloten zijn,
En draag mijn lichaam van aarde
Tot de witte zucht van de dageraad.
En meteen kwam de nacht.
Oh, dat de nacht kwam!
Kijk hoe donker het wordt
De straal van de berg.
Escrita por: Enrique Morente, F. Garcia Lorca