Ay mari cruz
Es Maricruz la mosita,
La mas bonita der barrio de Santa Cruz.
El viejo barrio judío, rosal florío,
Le ha dado rosas de luz.
Y desde la Macarena,
La vienen a comtemplar
Pues su carita morena
Hase a los hombres soñar.
Y una noche de luna
El silencio rompió
La guitarra moruna
Y una voz que cantó
¡Ay, Maricruz, Maricruz!
Maravilla de mujé;
Der barrio de Santa Cruz
Eres un rojo clavé.
Mi vía sólo eres tú
Y por jurarte yo eso
Me vi de cariño preso
Por tus ojos Maricruz.
¡Ay, Maricruz, Maricruz!
Fue como una pluma en el viento
El juramento y a su queré traicionó.
Y sin dejar una huella,
Detrás de ella la niña Sevilla dejó.
La gente mita sin pena
Su reja sin un rosal
Pues de aquella flor morena
Ninguno supo llamar
Solamente hubo un hombre
Que en sus hierros lloró
Recordando su nombre
Y esta copla cantó
Oh Maricruz
Oh Maricruz, de mooiste van de buurt,
De mooiste van de wijk in Santa Cruz.
De oude Joodse buurt, rozen bloeiden,
Heeft rozen van licht gegeven.
En vanaf de Macarena,
Wordt ze bewonderd,
Want haar gebruinde gezicht
Laat de mannen dromen.
En op een nacht met de maan
Verbrak ze de stilte,
De gitaar klonk
En een stem die zong.
Oh, Maricruz, Maricruz!
Wonder van een vrouw;
In de wijk van Santa Cruz
Ben jij een vurige roos.
Jij bent mijn enige weg
En om dat te zweren,
Raakte ik gevangen van liefde
Door jouw ogen, Maricruz.
Oh, Maricruz, Maricruz!
Het was als een veertje in de wind,
De eed en ze verraadde haar geliefde.
En zonder een spoor achter te laten,
Verliet het meisje Sevilla.
De mensen gaan zonder spijt
Hun hek zonder een rozenstruik,
Want van die gebruinde bloem
Wist niemand haar naam te roepen.
Er was alleen een man
Die in zijn verdriet huilde,
Terugdenkend aan haar naam
En dit lied zong.