Vilja-Lied
Es lebt' eine Vilja, ein Waldmägdelein
Ein Jäger erschaut' sie im Felsengestein
Dem Burschen, dem wurde so eigen zu Sinn
Er schaute und schaut' auf das Waldmägdlein hin
Und ein nie gekannter Schauer
Faßt' den jungen Jägersmann
Sehnsuchtsvoll
Fing er still zu seufzen an
'Vilja, oh Vilja, du Waldmägdelein
Faß mich und laß mich dein Herzliebster sein!
Vilja, oh Vilja, was tust du mir an!
Bang fleht ein liebkranker Mann
Das Waldmägdlein streckte die Hand nach ihm aus
Und zog ihn hinein in ihr felsiges Haus
Dem Burschen die Sinne vergangen fast sind
So liebt und so küßt gar kein irdisches Kind!
Als sie sich dann sattgeküßt
Verschwand sie zu derselben Frist
Einmal noch
Hat der Arme sie gegrüßt
Vilja-Lied
Er leefde eens een Vilja, een bosmeisje
Een jager zag haar in de rotsachtige steen
De jongen, die voelde zich zo vreemd van binnen
Hij keek en bleef maar kijken naar het bosmeisje
En een nooit gekende rilling
Vatte de jonge jager aan
Verlangend
Begon hij stil te zuchten
'Vilja, oh Vilja, jij bosmeisje
Neem me en laat me jouw hartstochtelijke zijn!
Vilja, oh Vilja, wat doe je me aan!
Bang smeekt een verliefde man
Het bosmeisje stak haar hand naar hem uit
En trok hem binnen in haar rotsachtige huis
De jongen was bijna zijn zinnen kwijt
Zo lief en zo zoent geen enkel aards kind!
Toen ze zich dan verzadigd hadden gekust
Verdween ze op hetzelfde moment
Nog één keer
Heeft de arme haar gegroet