De blinde zwerver
Open voor mij de poort,
open het luik,
geef me van jouw doek
ach mijn lief!
want ik kom gewond.
Want als je gewond bent
is het een slecht uur,
want mijn poorten
ach mijn lief!
gaan nu niet open.
Mijn moeder, word wakker,
niet zo veel slapen,
kom luisteren naar een blinde
ach mijn lief!
zingen en spelen.
En als hij zingt en vraagt,
geef hem brood en wijn,
zeg tegen de treurige blinde
ach mijn lief!
dat hij verder moet gaan.
Ik wil zijn brood niet,
ik wil zijn wijn niet,
ik wil dat Rosiña
ach mijn lief!
me de weg leert.
Neem, oh Rosiña,
de steen en het linnen,
ga met de treurige blinde
ach mijn lief!
hem de weg vertellen.
Kom op, oh Rosiña,
nog een klein beetje,
ik ben slechtziend
ach mijn lief!
ik zie de weg niet.
Van graven en hertogen
ben ik al benaderd
en nu van een blinde
ach mijn lief!
zie ik me overgegeven.
Ik ben geen blinde,
God verhoede het,
ik ben de graaf Alberto
ach mijn lief!
die jou wilde.
Vaarwel mijn huis,
vaarwel mijn akkers,
vaarwel vriendinnen
ach mijn lief!
voor nooit meer.