Callejón
Un farolito que parpadea
tumbado y viejo sobre tu esquina,
haciendo alarde que te ilumina,
tal vez murmura porque llorás.
Diez arbolitos como un rosario,
rotos al pasto del cruel invierno,
solos vigilan fieles y tiernos
tus noches tristes de inmensa paz.
Callejón,
a los dos vendió el destino,
soy un triste peregrino
sin derrotero y sin fin.
Callejón,
vos serás mi confidente,
traigo doblada la frente
y adónde voy yo no se.
Como a mí
también te sangra una herida,
a vos la urbe te olvida
y ella ha olvidado mi amor.
Callejón,
por eso busco tu abrigo
lejos del mundo consigo
adormecer mi dolor.
Cuando el rocío moja tus faldas,
tu amarga pena llorás por ella,
como mi vida no tenés huellas
y nunca un carro surcó tu mal.
Sólo en las noches de clara luna
una pareja viene a arrullarte,
y al despedirte suele dejarte
besos sonoros como el cristal.
Steeg
Een lampje dat knippert
liggend en oud op jouw hoek,
pralend dat het je verlicht,
misschien fluistert het omdat je huilt.
Tien boompjes als een rozenkrans,
gestukte gras van de wrede winter,
alleen waken ze trouw en teder
over jouw treurige nachten van immense rust.
Steeg,
het lot verkocht ons beiden,
ik ben een treurige pelgrim
zonder richting en zonder einde.
Steeg,
jij zult mijn vertrouweling zijn,
ik loop met gebogen hoofd
en waar ik heen ga weet ik niet.
Net als ik
bloedt ook jij uit een wond,
de stad vergeet jou
en zij heeft mijn liefde vergeten.
Steeg,
om die reden zoek ik jouw schuilplaats
ver weg van de wereld bij jou
dom mijn pijn te verdoezelen.
Wanneer de dauw jouw rokken nat maakt,
jouw bittere verdriet huil je om haar,
zoals mijn leven heb je geen sporen
en nooit heeft een wagen jouw kwaad doorkruist.
Alleen op de nachten van heldere maan
komt een stelletje je wiegen,
en bij het afscheid laat het vaak
geluidvolle kussen achter als glas.