Ei Krasafaren Steinbu
Eg skull' te fjells for å jakte rein.
Bussen va ganske sein, eg skulde gå te Hein.
Været va ruskut og tungt og grått.
Lendet va sleipt og vått,
sjål vart eg redd so smått.
Hadde hverken kart ell kompass,
burde jaddi hugst på sopass.
Jævlig dumt syns væl du?
Måse og stein dæ va allt eg såg.
Skodda kom sigande tjukk, so tung og grå.
Jeger'n va liten og Vidda stor.
Hadde 'kji leger ror,
trengde ein storebror.
Eg tok te miste true
på at eg skull' finne bue.
Klukka gjikk, huttetu, va snart sju!
Men då kom eg te ei krasafaren steinbu.
Eine veggen sigji ut, men taket nokolein.
Sette meg ned og fann fram nista,
våt og kald so kroppen rista.
Likevæl va eg glad!
Åfto æ livet som ein skoddeheim.
Vegen æ langtfrå bein,
eg kan 'kji finne heim.
Rota på rundt i eit narrespel.
Kjempa imot eit bel,
lyg meg ifrå eindel.
Når det æ som aller svartast.
Når det blæs med krappe vindkast.
Når eg går mot eit stup, ni eit djup.
Då kjem eg te ei krasafaren steinbu.
Eine veggen sigji ut, men taket nokolein.
Set meg ned og finn fram nista,
våt og kald so kroppen rista.
Likevæl æ eg glad! Eg æ glad!
Då kjem eg te ei krasafaren steinbu.
Eine veggen sigji ut, men taket nokolein.
Set meg ned og finn fram nista,
våt og kald so kroppen rista.
Likevæl æ eg glad!
Ja, likevæl æ eg glad!
Ja, likevæl æ eg glad.
Ei Krasafaren Steinbu
Ik ga de bergen in om elanden te jagen.
De bus was behoorlijk laat, ik moest naar Hein gaan.
Het weer was ruw, zwaar en grijs.
De grond was glad en nat,
voelde me zo klein en bang.
Had geen kaart of kompas,
moest echt beter nadenken dat was wel wat.
Verdomd dom, denk je niet?
Meeuwen en steen dat was alles wat ik zag.
De mist kwam langzaam binnen, zo zwaar en grijs.
De jager was klein en de vlakte groot.
Had geen enkel touw,
had een grote broer nodig.
Ik begon te twijfelen
of ik mijn plek zou vinden.
De klok tikte, huttetu, het was bijna zeven!
Maar toen kwam ik bij een verwaarloosde steenhut.
Één muur viel naar buiten, maar het dak was intact.
Ik zette me neer en haalde mijn lunch tevoorschijn,
warm en koud, zo rilde mijn lichaam.
Toch was ik blij!
Want het leven is als een mistige thuis.
De weg is verre van recht,
ik kan de weg naar huis niet vinden.
Zwevend in een schijngreep.
Vechtend tegen een bel,
lieg me van een deel weg.
Wanneer het het zwartst is.
Wanneer het waait met harde windstoten.
Wanneer ik naar een afgrond loop, naar een diepte.
Dan kom ik bij een verwaarloosde steenhut.
Één muur valt naar buiten, maar het dak is intact.
Ik ga zitten en haal mijn lunch tevoorschijn,
warm en koud, zo rilde mijn lichaam.
Toch ben ik blij! Ik ben blij!
Dan kom ik bij een verwaarloosde steenhut.
Één muur valt naar buiten, maar het dak is intact.
Ik ga zitten en haal mijn lunch tevoorschijn,
warm en koud, zo rilde mijn lichaam.
Toch ben ik blij!
Ja, toch ben ik blij!
Ja, toch ben ik blij.