Encadenado al ánima
Sí, el viejo portal del cielo
Sí, el viejo portal del cielo
Puede enfriar los cuerpos de hoy y ayer
Se niega el recuerdo por sano y se quema
En las puertas de una ciudad
Que aulla sin ser vista
Los planetas giran sin saberlo
Así como tu recuerdo vive en ellos
Sin que puedas correr allí
Sin que puedas correr allí
Las ventiscas en sombras ahuyentan el humo
De unos muñecos que se queman
En el alba roja y ardiente de la locura
Las caras que asoman la ventana
Quieren cristalizarse en mi pensamiento
En forma alucinatoria
En forma alucinatoria
Como si los muebles pudieran hablarme de ellas
Sin moverse
Produciendo ruidos incomprensibles a mi espalda
La noche despide
Su manera arrogante
De mecerse donde quiera
Y las ropas de los sirvientes
Caminan por la casa
La noche llega y tal vez
Mañana no exista el tiempo con sombras
La luz se duerme entre las piedras
Sacude sus plumas la avaricia
Salpicando el pasto inmolado
Los perros vuelan en las piernas de la noche
Que gime el viento frío
Desde la boca de un dragón sin ojos
El agujero de días de lluvia intensa
Trata de imantar alguna mujer sin cara
Que ronda por la casa
La distancia es un caudal de eternidad
Agazapada sobre la espalda de un león
Vastgebonden aan de ziel
Ja, de oude poort van de hemel
Ja, de oude poort van de hemel
Kan de lichamen van vandaag en gisteren afkoelen
Vergeet het verleden voor je eigen bestwil en het brandt
Bij de deuren van een stad
Die huilt zonder gezien te worden
De planeten draaien zonder het te weten
Net zoals jouw herinnering in hen leeft
Zonder dat je daarheen kunt rennen
Zonder dat je daarheen kunt rennen
De sneeuwstormen in de schaduw jagen de rook weg
Van poppen die verbranden
In de vurige rode dageraad van de waanzin
De gezichten die voor het raam verschijnen
Willen zich in mijn gedachten kristalliseren
In hallucinatoire vorm
In hallucinatoire vorm
Alsof de meubels me over hen kunnen vertellen
Zonder te bewegen
Geluiden producerend die onbegrijpelijk zijn achter mijn rug
De nacht laat los
Haar arrogante manier
Van wiegen waar ze maar wil
En de kleren van de bedienden
Lopen door het huis
De nacht komt en misschien
Bestaat de tijd morgen niet met schaduwen
Het licht slaapt tussen de stenen
Schudt zijn veren de hebzucht
Spetterend op het opgeofferde gras
De honden vliegen op de benen van de nacht
Die de koude wind huilt
Uit de mond van een blinde draak
Het gat van dagen van intense regen
Probeert een vrouw zonder gezicht aan te trekken
Die rond het huis dwaalt
De afstand is een stroom van eeuwigheid
In de luwte op de rug van een leeuw