Somos
Somos los niños burbuja del fin de la historia, x en ecuaciones
soñando con contratos fijos, con libélulas que anhelan
dulces besos que se esconden
tras el brillo de las barras de aquel bar donde te amé, isla de resistencia
tallando en cubitos de hielo futuro y promesas.
Y mientras los ultracuerpos subidos a estrados recitan sermones,
hay quien nos dice que no es tiempo
para hablar de la utopía ni de revoluciones,
que es un anacronismo cantarle a la trova, nombrar a Guevara
y mientras golpean tu fe y tu futuro en su fragua.
Y en estos días el que escribe, consciente del privilegio
de nacer en esta orilla, cree que aún éste será el tiempo
del ángel temeroso que suspira, átomo que gira en solitario,
alienígena nacido en esta tierra, del sueño sublime, en fin,
del hombre y la mujer que buscan otro mundo posible.
Y, mientras tanto, los santos de causas perdidas discuten verdades,
armados con su piolet se confunden de enemigo.
Mientras, en la calle, un rumor de alas batiendo
exige su voz, una voz diferente.
Meciendo en la red utopías pregunta y disiente.
Y en estos días el que escribe, consciente del privilegio
de habitar en esta orilla, cree que aún éste será el tiempo
del hada temerosa que suspira, luciérnaga abandonando el letargo,
Ícaro escapando de una isla,del sueño sublime, en fin,
del hombre y la mujer que buscan otro mundo posible.
Wij zijn
Wij zijn de kinderen van de bel, aan het einde van het verhaal, x in vergelijkingen
Dromend van vaste contracten, met libellen die verlangen
Naar zoete kussen die zich verstoppen
Achter de glans van de stangen van die bar waar ik je heb liefgehad, eiland van verzet
Beeldhouwend in blokjes ijs, toekomst en beloftes.
En terwijl de ultracorpora op podia preken,
Zegt men ons dat het geen tijd is
Om te praten over utopieën of revoluties,
Dat het een anachronisme is om te zingen over de trova, Guevara te noemen
En terwijl ze je geloof en je toekomst in hun smidse slaan.
En in deze dagen gelooft de schrijver, zich bewust van het privilege
Om aan deze oever geboren te zijn, dat dit nog steeds de tijd zal zijn
Van de bange engel die zucht, atoom dat alleen draait,
Buitenlander geboren op deze aarde, van de sublieme droom, tenslotte,
Van de man en de vrouw die een andere mogelijke wereld zoeken.
En ondertussen discussiëren de heiligen van verloren zaken over waarheden,
Gewapend met hun pickel verwarren ze de vijand.
Terwijl, op straat, een gerucht van flapperende vleugels
Hun stem eist, een andere stem.
Wiegt in het net utopieën, vraagt en is het oneens.
En in deze dagen gelooft de schrijver, zich bewust van het privilege
Om aan deze oever te wonen, dat dit nog steeds de tijd zal zijn
Van de bange fee die zucht, vuurvlieg die de lethargie verlaat,
Icarus die ontsnapt van een eiland, van de sublieme droom, tenslotte,
Van de man en de vrouw die een andere mogelijke wereld zoeken.