De Hoop
Klokke vier wekte ons de stuurman met zijn
kreet: "alle hens aan dek!" 't Was de wacht
geweest in het vooronder die ontdekt had:
"boots, we varen lek..." Verloren leek ons
schip, gevangen op een klip.
Onze "Hoop" maakte steeds meer water, de
vraag was enkel nog wanneer ze kapseizen
zou. De kleine scheepsjongen bad stilletjes
tot Jezus, of die voor zijn oude moeder
zorgen wou. Verloren was ons schip, gevangen op een klip.
De kapitein vocht op de plecht, maar recht
kreeg zelfs hij het roer niet. Het schip
brak, toen kantelde de ra. Sloeg twee man
overboord,
Ik werd wakker in een sloep naast de
bootsman. Ik greep zijn hand maar die was
al koud. Met proviand voor twee, drie weken
en een maand ver uit de kust, weet ik:
een jongen op de vaart, wordt zelden oud.
Aan de einder blinkt een stip: de resten
van ons schip.
La Esperanza
A las cuatro en punto, el timonel nos despertó con su
grito: '¡todos a cubierta!' Había sido la guardia
en el camarote quien descubrió: '¡tripulantes, estamos
navegando con una vía de agua...' Nuestro barco parecía perdido, atrapado en un arrecife.
Nuestra 'Esperanza' cada vez se llenaba más de agua,
la pregunta era solo cuándo se hundiría. El joven grumete rezaba en silencio
a Jesús, pidiendo que cuidara de su anciana madre. Nuestro barco parecía perdido, atrapado en un arrecife.
El capitán luchaba en la cubierta, pero ni siquiera él
podía enderezar el timón. El barco se rompió, luego la verga se inclinó. Dos hombres cayeron por la borda,
Desperté en un bote junto al contramaestre. Agarré su mano pero ya estaba fría. Con provisiones para dos, tres semanas
y un mes lejos de la costa, sé que:
un joven en el mar rara vez envejece. En el horizonte brilla un punto: los restos
de nuestro barco.