Sinhá
Se a dona se banhou
Eu não estava lá
Por Deus, nosso Senhor
Eu não olhei, Sinhá
Estava lá na roça
Sou de olhar ninguém
Não tenho mais cobiça
Nem enxergo bem
Pra quê me por no tronco
Pra quê me aleijar
Eu juro a vosmecer
Que nunca vi Sinhá
Por que me faz tão mal
Com olhos tão azuis
Me benzo com o sinal
Da Santa Cruz
Eu só cheguei no açude
Atrás da sabiá
Olhava o arvorero
Eu não olhei Sinhá
Se a dona se despiu
Eu já andava além
Estava na amoenda
Estava para Xerém
Por que talhar meu corpo
Eu não olhei Sinhá
Pra quê que vosmecer
Meus olhos vai furar
Eu choro em iorubá
Mas oro por Jesus
Pra quê que vassumcê
Me tira a luz
E assim vai se encerrar
O canto de um cantor
Um voz no pelourinho
E ares de senhor
Cantor atormentado
Herdeiro sarará
Do nome do renome
De um feroz senhor de engenho
E das mandingas de um escravo
Que no engenho enfeitiçou
Sinhá
Mevrouw
Als de dame zich waste
Was ik daar niet
Bij God, onze Heer
Heb ik niet gekeken, Mevrouw
Ik was daar op het land
Ik kijk naar niemand
Ik heb geen verlangen meer
En zie niet goed
Waarom me in de boeien stoppen
Waarom me verwonden
Ik zweer je, mevrouw
Dat ik je nooit heb gezien
Waarom doet het zo'n pijn
Met zulke blauwe ogen
Ik zeg een gebed
Met het teken van het Heilig Kruis
Ik kwam alleen bij de vijver
Achter de zangvogel
Ik keek naar de bomen
Ik heb niet gekeken, Mevrouw
Als de dame zich ontkleedde
Was ik al verder weg
Ik was bij de maïs
Ik was naar Xerém
Waarom mijn lichaam snijden
Ik heb niet gekeken, Mevrouw
Waarom zou je, mevrouw
Mijn ogen willen doorboren
Ik huil in het Yoruba
Maar bid voor Jezus
Waarom haalt u, mevrouw
Het licht van me weg
En zo zal het eindigen
Het lied van een zanger
Een stem in de schandpaal
En de lucht van een heer
Getroebleerde zanger
Erfgenaam van de sarará
Van de naam van de naam
Van een wrede heer van de suikerplantage
En de toverspreuken van een slaaf
Die in de suikerplantage betoverde
Mevrouw