Calle MelancolÍa
Como quien viaja a lomos de una yegua sombría
Por la ciudad camino, no preguntéis adónde
Busco acaso un encuentro que me ilumine el día
Y no hallo más que puertas que niegan lo que esconden
Las chimeneas vierten su vómito de humo
A un cielo cada vez más lejano y más alto
Por las paredes ocres se desparrama el zumo
De una fruta de sangre crecida en el asfalto
Ya el campo estará verde, debe ser Primavera
Cruza por mi mirada un tren interminable
El barrio donde habito no es ninguna pradera
Desolado paisaje de antenas y de cables
Vivo en el númeor siete, calle Melancolía
Quiero mudarme hace años al barrio de la alegría
Pero siempre que lo intento ha salido ya el tranvía
Y en la escalera me siento a silbar mi melodía
Como quien viaja a bordo de un barco enloquecido
Que viene de la noche y va a ninguna parte
Así mis pies descienden la cuesta del olvido
Fatigados de tanto andar sin encontrarte
Luego, de vuelta a casa, enciendo un cigarrillo
Ordeno mis papeles, resuelvo un crucigrama
Me enfado con las sombras que pueblan los pasillos
Y me abrazo a la ausencia que dejas en mi cama
Trepo por tu recuerdo como una enredadera
Que no encuentra ventanas donde agarrarse, soy
Esa absurda epidemia que sufren las aceras
Si quieres encontrarme, ya sabes dónde estoy
Vivo en el númeor siete, calle Melancolía
Quiero mudarme hace años al barrio de la alegría
Pero siempre que lo intento ha salido ya el tranvía
Y en la escalera me siento a silbar mi melodía
Melancholiestraat
Als iemand die reist op de rug van een sombere merrie
Loop ik door de stad, vraag niet waarheen
Zoek ik misschien een ontmoeting die mijn dag verlicht
En vind alleen maar deuren die ontkennen wat ze verbergen
De schoorstenen spuwen hun braaksel van rook
Naar een lucht die steeds verder weg en hoger is
Over de okerkleurige muren verspreidt zich het sap
Van een bloedige vrucht die op het asfalt is gegroeid
Het veld zal vast groen zijn, het moet wel Lente zijn
Een eindeloze trein kruist mijn blik
De buurt waar ik woon is geen weide
Een verlaten landschap van antennes en kabels
Ik woon in nummer zeven, Melancholiestraat
Ik wil al jaren verhuizen naar de blijdschapbuurt
Maar telkens als ik het probeer, is de tram al vertrokken
En op de trap ga ik zitten om mijn melodie te fluiten
Als iemand die aan boord is van een gek schip
Dat uit de nacht komt en nergens heen gaat
Zo dalen mijn voeten de helling van de vergetelheid
Vermoeid van het eindeloos lopen zonder jou te vinden
Dan, op weg naar huis, steek ik een sigaret op
Orden mijn papieren, los een kruiswoordraadsel op
Ik word boos op de schaduwen die de gangen bevolken
En omarm de afwezigheid die je in mijn bed achterlaat
Ik klim door je herinnering als een klimop
Die geen ramen vindt om zich aan vast te houden, ik ben
Die absurde epidemie die de stoepen teistert
Als je me wilt vinden, weet je al waar ik ben
Ik woon in nummer zeven, Melancholiestraat
Ik wil al jaren verhuizen naar de blijdschapbuurt
Maar telkens als ik het probeer, is de tram al vertrokken
En op de trap ga ik zitten om mijn melodie te fluiten
Escrita por: Joaquín Sabina