395px

Aan Don Nicanor Paredes

Jorge Luis Borges

A Don Nicanor Paredes

Venga un rasgueo y ahora,
con el permiso de ustedes,
le estoy cantando, señores,
a Don Nicanor Paredes.
No lo vi rígido y muerto.
Ni siquiera lo vi enfermo.
Lo veo con paso firme
pisar su feudo, Palermo.

El bigote un poco gris,
pero en los ojos el brillo,
y cerca del corazón
el bultito del cuchillo.
El cuchillo de esa muerte
de la que no le gustaba
hablar... Alguna desgracia
de cuadreras o de tabas.

(Recitado)
De atrio más bien fue caudillo,
si no me marra la cuenta,
allá por los tiempos bravos
del ochocientos noventa.
Si entre la gente de faca
se armaba algún entrevero
él lo paraba de golpe,
de un grito o con el talero.

Ahora está muerto y con él
cuánta memoria se apaga
de aquel Palermo perdido
del baldío y de la daga.
Ahora está muerto y me digo:
-¡Qué hará usted, Don Nicanor,
en un cielo sin caballos,
sin vino, retruco y flor!

Aan Don Nicanor Paredes

Laat een strijkgeluid horen en nu,
met uw toestemming,
zing ik, heren,
voor Don Nicanor Paredes.
Ik zag hem niet stijf en dood.
Ik zag hem zelfs niet ziek.
Ik zie hem met stevige stappen
zijn gebied betreden, Palermo.

De snor een beetje grijs,
maar in zijn ogen de glans,
en dicht bij zijn hart
de bobbel van het mes.
Het mes van die dood
daarover wilde hij niet
praten... Een of andere ellende
van vierkante of van dobbelstenen.

(Gesproken)
Van het atrium was hij meer een leider,
als ik de rekening niet vergis,
daar in de ruige tijden
van achttienhonderd negentig.
Als er onder de mensen met messen
een opstootje ontstond,
stopte hij het meteen,
met een schreeuw of met de talero.

Nu is hij dood en met hem
vervaagt zoveel herinnering
van dat verloren Palermo
van het braakland en de dolk.
Nu is hij dood en ik zeg tegen mezelf:
- Wat gaat u doen, Don Nicanor,
in een hemel zonder paarden,
zonder wijn, retruco en bloem!

Escrita por: Astor Piazzolla