El aguacero (Canción de la Pampa)
Como si fuera renegando del Destino
de trenzar leguas y leguas sobre la triste extensión
va la carreta, rechinando en el camino
que parece abrirse, al paso de su blanco cascarón.
Cuando chilla la osamenta
señal que viene tormenta...
Un soplo fresco va rizando los potreros
y hacen bulla los horneros anunciando el chaparrón...
Y la Pampa es un verde pañuelo,
colgado del cielo,
tendido en el sol,
como a veces resulta la vida
sin sombras ni heridas,
sin pena ni amor...
El viento de la cañada
trae gusto a tierra mojada
y en el canto del viejo boyero
parece el pampero
soplar su dolor...
Se ha desatado de repente la tormenta
y es la lluvia una cortina tendida en la inmensidad
mientras los bueyes, en la senda polvorienta,
dan soplidos de contento como con ganas de andar...
¡Bien haiga el canto del tero
que saluda al aguacero!
Ya no es tan triste la tristeza del camino
y en el pértigo el boyero siente ganas de cantar.
Langanay, viejo buey, lomo overo,
callado aparcero de un mismo penar,
igual yugo nos ata al camino...
¡Pesado destino
de andar y de andar!
¿Adónde irás, buey overo
que no te siga el boyero?
Y la Pampa es un verde pañuelo,
colgado del cielo, que quiere llorar...
De stortbui (Lied van de Pampa)
Alsof hij zich verzet tegen het Lot
van het weven van lengtes en lengtes over de treurige vlakte
gaat de kar, krakend op de weg
die lijkt te openen, bij de stap van zijn witte schulp.
Wanneer het geraamte krijst
is dat een teken dat er een storm komt...
Een frisse zucht doet de weilanden rimpelen
en de horneros maken lawaai om de stortbui aan te kondigen...
En de Pampa is een groene zakdoek,
hangend aan de hemel,
uitgestrekt in de zon,
zoals het leven soms is
zonder schaduwen of wonden,
zonder verdriet of liefde...
De wind van de beek
brengt de geur van natte aarde
en in het gezang van de oude herder
lijkt de pampero
zijn verdriet te blazen...
De storm is plotseling losgebarsten
en de regen is een gordijn dat zich uitstrekt in de oneindigheid
terwijl de ossen, op het stoffige pad,
blazen van blijdschap alsof ze willen gaan...
Leve het gezang van de tero
die de stortbui begroet!
De droefheid van de weg is niet meer zo treurig
en in de duizeling voelt de herder de behoefte om te zingen.
Langanay, oude os, met een gevlekte rug,
stille partner van hetzelfde lijden,
hetzelfde juk bindt ons aan de weg...
Zwaar lot
van het gaan en gaan!
Waar ga je heen, gevlekte os
zonder dat de herder je volgt?
En de Pampa is een groene zakdoek,
hangend aan de hemel, die wil huilen...