Estatua de Carne
Donde la pampa abre su vientre
Evaporando al sol su sangre sabia
Mezclada con rocío de mañanas blancas
Mezclada con perfumes de pastisados vientos
Con mugidos agrestes, con relinchos violentos
Con cantares de pájaros aprestados al vuelo
Con retoños alzados de futuros eternos
Allí donde la tierra pampa se alza en hembra
Donde la luz del sol pega de frente
Donde la cantidad no cuenta mas que para servir al número
Donde el arroyo es vena que se retuerce en rubrica
De lo alto en lo bajo a bañadas lagunas
Donde la vida vive, donde muere la muerte
Donde la sombra dura lo que la luz consiente
Donde los ojos palpan con libertad profunda
El horizonte claro la noche encanecida
Las auroras sonrientes y arreboles orados
Mi tierra pampa de allá vengo
Sin haberme ido nunca, sin dejarla nunca
Tratando siempre de crecer por dentro
De allá vengo... Y traigo apadrinandome el recuerdo
La estatua de carne de una india pampa
Que sacudió mi vergüenza
Hubiera querido hablar con ella... Pero pa qué
Tenía los ojos tan quietos
Enterrados en mil surcos de arrugas que sombreaban
Las chuzas clinudas tupido de negro tiznudo
Su nariz y su boca... Indiferentes al olor y al gusto
Sus manos, unidas en el cansancio de la falda
Flaca y estirada de años de preñez
Su pecho tan hundido que en la curva de su espalda
Se reflejaba el peso de sus senos abolsados rozando el estómago
Sus hombros oblicuos y pequeños
Me mostraban que hasta el peso de los brazos
Cansa cuando siempre se los tuvo pa' abajo
Recogiendo tiempo vacío de esperanza
Tal vez el polvoriento médano viajero
Alguna vez, la llevó en ancas de paisajes nuevos
Tal vez el viento de la Pampa vieja
Le canto coplas que aprendió de lejos
Y allá
Cuando el poniente se acurruca en sueños
Sintió que la nostalgia le arrimaba leña pa quemar silencios
Tal vez se emborrachó de orgía, de sexo
Que culminaba la novena luna sobre el cuero de oveja
Que se tiñó de rojos cuajarones
Y secó de olvido en otra vuelta
Tal vez tiene la suerte de ser virgen
Aunque pariera mil por su bruta inocencia
Tal vez, alguna vuelta, se canso de esperar nada
Y cambio su espera por distancia
Distancia quieta
Retorcida en troncos de piquillinales con paciencia mortal
Pero latente hasta en la corteza de tu rostro
Porque Dios ha querido que su cuerpo y su alma sean una sola cosa
Hubiera querido hablar con ella
Pero pa qué
¿Pa clavar otro Cristo sin mas güeltas?
¿Pa arrancarle lo único que le queda después de haber vivido como nadie
Sin haber recibido ni el barato desdén pal que molesta?
¡Si hasta al perro se le dice jüera cuando anda tironeando la osamenta!
Lo único que tiene es el silencio, y porque no da leche se lo dejan
Los tiempos cambian, los recuerdos quedan
Los hombres mueren cuando no hay vergüenza
La sombra crece dentro de la conciencia
Si la conciencia no crece en la sombra
Yo me pregunto
¿Cuanto tiempo se precisa pa saber cada vez menos?
¿En qué lugar de la vida nace la resignación?
Solamente el miedo incuba diferencias
Y solamente desde desdichado miedo ajeno
Se nutren los enfermos autodiferenciados de potencia
Inaceptable capricho de querer cubrir el sol que nace para todos
Con el tóxico aliento de la mentira, negación absoluta del razonamiento
Y pensar... Pensar que allí nomás
Desde donde pa cualquier lado se mira adentro
Donde la luz y la sombra se juntan pa algo mas que pa que pase un día
Donde el lento ascenso de los caldenes contrasta
Con la siembra, madurez y cosecha de trigales
Allí nomás... Donde un día la lanza metió punta
Y el sable revolvió polvaderas en quita y en defensa
En puteada que se quedo colgando en una baba de cansancio y agonía
Donde la sangre gastada
Donde la sangre gastada que mojaba el suelo
Hoy mismo se evapora y sigue arrebolando cielo de auroras y ponientes
Donde el viento se ayunta cuando al cielo se arriman nubarrones
Allí nomás... La vi sentada
Con sus ojos tan quietos
Con el tiempo metido hasta en las uñas
Con el sosiego entero escrito en el espinazo
La estatua de carne que enarbola ciclos de olvido y de miseria
Me sentí tan pequeño ante tanta grandeza
¿De qué vale mi canto sin tu algo?
Si algún día... Llegara mi copla hasta tu oido
No pienses que te estoy utilizando
La sucia diferencia que separa, la inventó Dios como castigo
Que habremos de pagar tarde o temprano
Sin tener más que el alma por testigo
Vleesstandbeeld
Waar de pampa zijn buik opent
Verdampt de zon zijn wijze bloed
Gemengd met de dauw van witte ochtenden
Gemengd met geuren van gebraden winden
Met ruwe geloei, met gewelddadige hinniken
Met gezangen van vogels klaar om te vliegen
Met scheuten omhoog van eeuwige toekomsten
Daar waar de pampa aarde zich verheft als vrouw
Waar het zonlicht recht in het gezicht schijnt
Waar de hoeveelheid niet meer telt dan om het nummer te dienen
Waar de beek een ader is die zich kronkelt in een handtekening
Van hoog naar laag naar baden in lagunes
Waar het leven leeft, waar de dood sterft
Waar de schaduw zo lang duurt als het licht toestaat
Waar de ogen tastend zijn met diepe vrijheid
De heldere horizon de vergrijsde nacht
De lachende ochtenden en de rozenrode zonsopgangen
Mijn pampa land, daar kom ik vandaan
Zonder ooit weggeweest te zijn, zonder het ooit te verlaten
Altijd pogend om van binnen te groeien
Daar kom ik vandaan... En ik breng met me de herinnering
Het vleesstandbeeld van een pampa-india
Die mijn schaamte deed schudden
Ik had graag met haar willen praten... Maar waarvoor
Haar ogen waren zo stil
Begraven in duizend plooien van rimpels die schaduw gaven
De stekelige takken dik van zwart roet
Haar neus en mond... Onverschillig voor geur en smaak
Haar handen, samengevoegd in de vermoeidheid van de rok
Dun en uitgerekt van jaren van zwangerschap
Haar borst zo ingezakt dat in de kromming van haar rug
Het gewicht van haar bolle borsten zich aftekende tegen haar buik
Haar schouders schuin en klein
Toonden me dat zelfs het gewicht van de armen
Vermoeit als je ze altijd naar beneden houdt
Tijd zonder hoop oprapend
Misschien heeft de stoffige reizende duin
Haar ooit op de rug genomen naar nieuwe landschappen
Misschien zong de wind van de oude Pampa
Liederen die hij van ver leerde
En daar
Wanneer het westen zich in dromen nestelt
Voelde ze dat de nostalgie haar hout aanreikte om stiltes te verbranden
Misschien raakte ze in de war van orgie, van seks
Die de negende maan op het schapenleer beëindigde
Die zich kleurde met rode klodders
En vergat in een andere ronde
Misschien heeft ze het geluk om maagd te zijn
Hoewel ze duizend baarde door haar brute onschuld
Misschien, op een gegeven moment, raakte ze moe van het wachten op niets
En ruilde ze haar wachten voor afstand
Stille afstand
Verwrongen in stammen van piquillinales met dodelijke geduld
Maar latent zelfs in de schors van je gezicht
Omdat God heeft gewild dat haar lichaam en ziel één zijn
Ik had graag met haar willen praten
Maar waarvoor
Om weer een Christus te kruisigen zonder meer gedoe?
Om haar het enige te ontnemen wat ze heeft na zo geleefd te hebben als niemand
Zonder ooit de goedkope minachting te hebben ontvangen voor wie stoort?
Zelfs de hond wordt 'jüera' genoemd als hij aan het bot trekt!
Het enige wat ze heeft is de stilte, en omdat ze geen melk geeft, laten ze het
De tijden veranderen, de herinneringen blijven
De mannen sterven als er geen schaamte is
De schaduw groeit binnen de bewustzijn
Als de bewustzijn niet groeit in de schaduw
Ik vraag me af
Hoeveel tijd is er nodig om steeds minder te weten?
Op welke plek in het leven wordt de berusting geboren?
Slechts de angst broedt verschillen
En alleen vanuit de ongelukkige angst van anderen
Voeden de zieke autodifferentieerden van kracht
Onacceptabele caprice om de zon die voor iedereen opkomt
Te willen bedekken met de giftige adem van leugens, absolute ontkenning van redenering
En te denken... Denken dat daar vlakbij
Van waaruit je in elke richting naar binnen kijkt
Waar het licht en de schaduw samenkomen voor iets meer dan om een dag te laten verstrijken
Waar de langzame opkomst van de caldenes contrasteert
Met de zaaien, rijpheid en oogst van tarwevelden
Daar vlakbij... Waar op een dag de lans de punt erin stak
En het zwaard stofwolken deed opwaaien in aanval en verdediging
In een vloek die bleef hangen in een slijk van vermoeidheid en agoniet
Waar het verbruikte bloed
Waar het verbruikte bloed dat de grond bevochtigde
Vandaag verdampt en blijft de lucht van ochtenden en westen kleuren
Waar de wind zich verenigt wanneer de wolken naar de lucht komen
Daar vlakbij... Zag ik haar zitten
Met haar ogen zo stil
Met de tijd tot in de nagels
Met de volledige rust geschreven in de ruggengraat
Het vleesstandbeeld dat cycli van vergetelheid en ellende hanteert
Ik voelde me zo klein voor zoveel grootsheid
Wat heeft mijn zang voor zin zonder jouw iets?
Als op een dag... Mijn lied je oor zou bereiken
Denk dan niet dat ik je gebruik
Het vuile verschil dat scheidt, heeft God uit straf uitgevonden
Dat we vroeg of laat moeten betalen
Zonder meer dan de ziel als getuige te hebben