Grito Changa
Me ofrecieron conchabo
para ir tirando, para ir tirando,
el trabajo anda escaso,
la paga estrecha
y el lomo es ancho.
Porque tengo a mis hijos
que a puro brazo los estoy criando,
me priendo a cualquier cosa,
el hambre es mucho y el pan escaso.
Clavo el hacha en el árbol,
saco los yuyos, armo el andamio,
no tengo oficio fijo,
de muy chiquito, viví cinchando.
Hoy no tengo derecho
ni pa embromarme dentro el salario.
El patrón ya me dijo
que si me enfermo no se hace cargo.
¡La pucha! Que valgo poco,
si no me alcanza ni pa cigarro,
y el hueso que llevo a casa
dentro del pecho me está golpeando.
Si me agarra la rabia
y pego el grito, me estoy pensando,
que mis pobres cachorros,
no tienen culpa pa darles cargo.
Que venga el sabio y diga
si mi trabajo no vale de algo.
Que el sabio me conteste,
si pa tranquiarla no soy un galgo.
Si el sabe todo eso,
sabe de sobra que es poco el pago.
Por saber tantas cosas,
hacen que el pobre reviente de asco.
¡La pucha! Que valgo poco,
si no me alcanza ni pa cigarro,
y el hueso que llevo a casa
dentro del pecho me está golpeando.
Si me agarra la rabia
y pego el grito, me estoy pensando,
que mis pobres cachorros,
no tienen culpa pa darles cargo.
Schreeuw van de Armoede
Ze boden me een baantje aan
om maar door te gaan, om maar door te gaan,
de werkgelegenheid is schaars,
het loon is krap
en de rug is breed.
Want ik heb mijn kinderen
waar ik met eigen handen voor zorg,
ik pak alles aan,
want de honger is groot en het brood is schaars.
Ik sla de bijl in de boom,
haal het onkruid weg, zet de steiger op,
ik heb geen vast beroep,
van jongs af aan heb ik hard gewerkt.
Vandaag heb ik geen recht
om me te ergeren aan mijn salaris.
De baas heeft me al gezegd
als ik ziek word, dat hij niet voor me zorgt.
Verdorie! Wat ben ik weinig waard,
als ik niet eens genoeg heb voor een sigaret,
en het bot dat ik mee naar huis neem
klopt in mijn borst.
Als de woede me pakt
en ik schreeuw, dan denk ik na,
want mijn arme kleintjes,
hebben geen schuld om hen te belasten.
Laat de wijze komen en zeggen
of mijn werk niet iets waard is.
Laat de wijze me antwoorden,
of ik niet snel genoeg ben om het te kalmeren.
Als hij dat allemaal weet,
weet hij ook dat de beloning weinig is.
Door zoveel te weten,
maakt hij dat de arme van walging explodeert.
Verdorie! Wat ben ik weinig waard,
als ik niet eens genoeg heb voor een sigaret,
en het bot dat ik mee naar huis neem
klopt in mijn borst.
Als de woede me pakt
en ik schreeuw, dan denk ik na,
want mijn arme kleintjes,
hebben geen schuld om hen te belasten.