Sobre La Cruz del Olvido
Que triste es cantarle al viento
cuando hay que cantarle al hombre.
Menos mal que le viento sabe demasiáu
pa´ que se asombre.
Muchas veces le canté como uno más entre tanto
más nunca pude saber que le pareció mi canto.
Con la soledad en los ojos mi corazón fue bigüela
que a veces solía templar pa´ acompañar una pena.
Si le habré contao al viento sueños que con él se fueron
como una luz invisible entre las sombras del tiempo.
Después cuando estuve muerto sobre la cruz del olvido,
quiso arrimarme un recuerdo como si fuera un amigo.
Él me dijo alguna vez que el hombre no tiene gloria
porque la dejó empeñada cuenta de alguna historia.
Él dice que cada cual se afirma en su monumento
´tá que cosas mas amarga las cosas que dice el viento.
Una vez siendo mozo miré el camino
calculé la distancia soñé un destino
calcule metro a metro, tranco por tranco
mi destino fue rengo
mi sueño, manco, cada paso una vida y otra experiencia
y al retodo del sueño tiento en pacencia.
Se me achicó el lucero justo al momento
que mas luz precisaba pa´ l lado de adentro.
No cualquiera echa un sueño y lo hace huella
sabiendo que ninguno pensará en ella
Soy tiempo pa´ mi solo, naide lo niegue
mi distancia comienza... ande yo llegue.
Siempre es bueno saberlo, nunca olvidarse
que el hombre tiene mucho pa´ calentarse,
el fuego del olvido quema mas hondo que el
mismísimo infierno desde su fondo.
Si sabré cuanto quema que cuando fumo
más vida que mi vida es la del humo.
Él se va rumbo al viento
y yo me quedo con el temblor del pucho entre los dedo.
Una vez siendo mozo miré el camino
solamente él conoce lo que he sufrido
calculé metro a metro y sin embargo
cada vez que lo marcho se hace mas largo.
Peregrino y distancia solo me queda leguas
hechas al ñudo y esta zonzera
de buscar el invierno, mi primavera
no dirán que no quise cuando me muera.
Que triste es cantarle al viento
cuando hay que cantarle al hombre.
Menos mal que le viento sabe demasiáu
Over Het Kruis van Vergetelheid
Wat triest is om de wind te bezingen
als je eigenlijk de mens moet bezingen.
Gelukkig weet de wind te veel
om zich te verbazen.
Vaak heb ik gezongen als een van velen
maar ik kon nooit weten wat hij van mijn zang vond.
Met de eenzaamheid in mijn ogen was mijn hart een gitaar
soms speelde ik om een verdriet te begeleiden.
Als ik de wind heb verteld over dromen die met hem zijn gegaan
als een onzichtbaar licht tussen de schaduwen van de tijd.
Daarna, toen ik dood was op het kruis van vergetelheid,
wilde hij me een herinnering brengen alsof hij een vriend was.
Hij zei me ooit dat de mens geen glorie heeft
omdat hij die heeft verpand vanwege een of ander verhaal.
Hij zegt dat iedereen zich bevestigt in zijn monument
wat een bittere dingen zegt de wind.
Een keer, als jongeman, keek ik naar de weg
ik berekende de afstand, droomde een bestemming.
Ik berekende meter voor meter, stap voor stap
mijn bestemming was mank
mijn droom, gebrekkig, elke stap een leven en een ervaring
en aan het einde van de droom tast ik in geduld.
De ster werd kleiner op het moment
dat ik het meest licht nodig had aan de binnenkant.
Niet iedereen maakt een droom en laat die achter
wetende dat niemand eraan zal denken.
Ik ben tijd voor mezelf, niemand ontkent het
mijn afstand begint... waar ik ook kom.
Het is altijd goed om het te weten, nooit te vergeten
dat de mens veel heeft om zich op te warmen,
het vuur van vergetelheid brandt dieper dan de
hel zelf vanuit zijn diepte.
Als ik weet hoeveel het brandt, als ik rook
meer leven dan mijn leven is de rook.
Hij gaat de wind in
en ik blijf met de trilling van de sigaret tussen mijn vingers.
Een keer, als jongeman, keek ik naar de weg
alleen hij kent wat ik heb geleden.
Ik berekende meter voor meter en toch
elke keer dat ik het verlaat, wordt het langer.
Pelgrim en afstand, alleen nog mijlen over
verloren en deze onzin
van het zoeken naar de winter, mijn lente
ze zullen niet zeggen dat ik niet heb gewild als ik dood ben.
Wat triest is om de wind te bezingen
als je eigenlijk de mens moet bezingen.
Gelukkig weet de wind te veel.