Pajarillo (part. Luis Humberto Navejas)
Maquillaje a granel, usaba a diario
Y vendía su piel a precio caro
De las ocho a las diez en una esquina
Era joven infiel, era rosa y espina
Y se llamaba, no sé, nunca lo supe
Nunca le pregunté, nunca dispuse
De su tiempo y su piel, era un mocoso
Y tan solo le miré de pozo en pozo
Y era un pajarillo de blancas alas
De balcón en balcón, de plaza en plaza
Vendedora de amor, ofrecedora
Para el mejor postor de su tonada
Cinco inviernos pasaron y ahí seguía
La misma hora de ayer, la misma esquina
Era joven y fiel, y aún tenía la rosa de su piel (la rosa de su piel)
Y más grande de espina
Y sonreía al pasar de los mirones
Bajo de aquel farol, noche tras noche
Veinte veces se la llevaron presa
Y cantó su canción tras de las rejas
Y era un pajarillo de blancas alas
De balcón en balcón, de plaza en plaza
Vendedora de amor, ofrecedora
Para el mejor postor de su tonada
Se le arrugó la piel
Y el maquillaje suficiente no fue para taparle
La huella que dejó el sexto invierno
Se le acabó el color y hasta el aliento
Y de las ocho a las diez, solo en la esquina
Se quedó aquel farol y aquella espina
La rosa no sé yo dónde se iría
Se llamaba, no sé, y sonreía
Y era un pajarillo de blancas alas
De balcón en balcón, de plaza en plaza
Vendedora de amor, ofrecedora
Para el mejor postor de su tonada
Vogeltje
Elke dag droeg ze veel make-up
en verkocht haar huid voor een hoge prijs,
vanaf acht tot tien op een hoek,
was jong en mooi, een roos met een doorn.
Ze heette ... ik weet het niet ... nooit geweten,
nooit gevraagd, nooit had ik de tijd
voor haar tijd en haar huid, was een snotneus
en keek alleen maar van put naar put.
En ze was een vogeltje met witte vleugels,
van balkon naar balkon, van plein naar plein,
verkoopster van liefde, aanbiedster
voor de hoogste bieder van haar melodie.
Vijf winters gingen voorbij, en daar was ze nog,
dezelfde tijd als gisteren, dezelfde hoek,
was jong en mooi, en had nog steeds
de roos van haar huid, maar de doorn was groter.
En ze glimlachte naar de voorbijgangers,
onder die lantaarn, nacht na nacht;
twintig keer werd ze gevangen genomen
en zong haar lied achter de tralies.
En ze was een vogeltje met witte vleugels,
van balkon naar balkon, van plein naar plein,
verkoopster van liefde, aanbiedster
voor de hoogste bieder van haar melodie.
Haar huid werd rimpelig, en de make-up
was niet genoeg om haar te verbergen
de sporen die de zesde winter achterliet,
haar kleur was vervaagd, en zelfs haar adem.
En van acht tot tien, alleen op de hoek,
bleef die lantaarn en die doorn staan;
de roos weet ik niet waar ze naartoe ging,
ze heette ... ik weet het niet! ... en glimlachte.
En ze was een vogeltje met witte vleugels,
van balkon naar balkon, van plein naar plein,
verkoopster van liefde, aanbiedster
voor de hoogste bieder van haar melodie.