Carnaval de La Vida
Entre las sombras,
vegetando vivo,
sin que una luz
ante mis ojos raye,
e indiferente,
mi existir maldigo,
sin creer en nada,
ni amar a nadie.
Ya sin amores
y con la fe extinguida
me río de las iras
de mi suerte;
no tiene objeto
para mí la vida
si el corazón
se anticipó a la muerte.
Si hasta la esperanza está perdida,
me río de las iras
de mi suerte;
¡qué carnaval más necio el de la vida!
¡qué consuelo más dulce el de la muerte!
Carnaval van het Leven
Tussen de schaduwen,
levend in de leegte,
zonder dat een licht
voor mijn ogen straalt,
ongemotiveerd,
vervloek ik mijn bestaan,
zonder in iets te geloven,
of iemand te beminnen.
Zonder liefdes
en met de hoop gedoofd
lach ik om de woede
van mijn lot;
het leven heeft geen doel
voor mij meer
als het hart
voor de dood al klopte.
Als zelfs de hoop verloren is,
lach ik om de woede
van mijn lot;
wat een dwaas carnaval is het leven!
wat een zoete troost is de dood!