Cádiz Nuestro (Presentación)
Cádiz nuestro que estás bajo el suelo
Santificado sea tu nombre
Vuelva a nosotros tu ingenuo
Hágase tu carnaval en la calle como en el templo
Danos hoy el compás de cada día
Perdona nuestras coplas
Como también nosotros perdonamos a los que nos ofenden
No nos dejes perder esta tradición
Y libranos del mal, amén
Todo aquel que nace en el sur
Lleva en su inherencia como bandera
La playa, el viento, la luz
Y una mar que empuña sus entretelas
Sus entretelas
Algunos consiguen marchar
Sediento de sueños y de nuevas metas
Almas errantes sin paz
Que en su lejanía lloran de pena
Por nuestra pena
Y los que quedamos aquí
Llevamos por luto esta cantinela
Ante el sepulcro sin fin
De esta tierra que corre por mis venas
Ay por mis venas
Que me tenío que vestir de sepulturero
Pa clavarte el corazón
Y gritarle con coraje a los cuatro vientos
Que a mi Cái la tiene ya en los huesos
Ay en los huesos
Niña líbrame de esta condena
De tener que verte un día
Sepultá bajo las pieras
Pero que mira niña
Librame de esta condena
De tener que verte un día
Sepultá bajo las pieras
Carnavalero
Va siendo hora de alejarse del tintero
Porque ni como original ni como obrero
He conseguido tu consciencia despertar
No hay más caminos
Que andar en las calles y espantar todos unidos
A cada cuervo carroñero y renegrío
Que está matando poco a poco mi ciudad
Que no importa si Cádiz está escondida bajo el suelo
O si está secuestrada en una Luna arreguindá
Que esto no va de coplas
Que terminan por febrero
Que les hablo de una mare
Que se muere desangrá
Niña librame de esta condena
Que tener que verte un día
Sepultá bajo las pieras
Que repiquen las campanas se avecina un nuevo entierro
Será un réquiem por tus hijos, por tus barrios, tu historia, tu acento
Que retumben ya las palas que despierten a este pueblo
O pronto llegará el día en que será la ciudad del cementerio
Que me tenío que vestir de sepulturero
La ciudad del cementerio
Que me tenío que vestir de sepulturero
La ciudad del cementerio
Cádiz Ons (Presentatie)
Cádiz ons, dat ligt onder de grond
Heilig zij uw naam
Laat ons uw onschuld terugkrijgen
Laat uw carnaval op straat zijn zoals in de tempel
Geef ons vandaag het ritme van elke dag
Vergeef onze liederen
Zoals ook wij vergeven aan degenen die ons beledigen
Laat ons deze traditie niet verliezen
En verlos ons van het kwaad, amen
Iedereen die in het zuiden geboren wordt
Draagt in zijn erfgoed als vlag
Het strand, de wind, het licht
En een zee die zijn geheimen omarmt
Zijn geheimen
Sommigen slagen erin te vertrekken
Dorstig naar dromen en nieuwe doelen
Zwerver zielen zonder rust
Die in hun afstand huilen van verdriet
Om ons verdriet
En degenen die hier blijven
Dragen in rouw dit gezang
Voor het eindeloze graf
Van dit land dat door mijn aderen stroomt
Oh, door mijn aderen
Dat ik me moest verkleden als een grafdelver
Om je het hart te steken
En met moed naar de vier winden te schreeuwen
Dat mijn Cádiz al in de botten zit
Oh, in de botten
Meisje, bevrijd me van deze verdoemenis
Om je op een dag te moeten zien
Begraven onder de stenen
Maar kijk, meisje
Bevrijd me van deze verdoemenis
Om je op een dag te moeten zien
Begraven onder de stenen
Carnavalspeler
Het is tijd om je van de inktpot te verwijderen
Want noch als origineel, noch als arbeider
Heb ik je bewustzijn weten te wekken
Er zijn geen andere wegen
Dan de straten te bewandelen en samen te schrikken
Van elke aasgier en schim
Die langzaam mijn stad doodt
Het maakt niet uit of Cádiz verborgen is onder de grond
Of dat het gekidnapt is op een verknipte maan
Dit gaat niet om liederen
Die eindigen in februari
Ik spreek over een zee
Die doodbloeding
Meisje, bevrijd me van deze verdoemenis
Om je op een dag te moeten zien
Begraven onder de stenen
Laat de klokken luiden, er komt een nieuwe begrafenis aan
Het zal een requiem zijn voor je kinderen, voor je wijken, je geschiedenis, je accent
Laat de scheppen al weerklinken, laat dit volk ontwaken
Of snel komt de dag dat het de stad van het kerkhof zal zijn
Dat ik me moest verkleden als een grafdelver
De stad van het kerkhof
Dat ik me moest verkleden als een grafdelver
De stad van het kerkhof