Viajando al fín de la noche
Conduciendo son las seis,
la botella entre los pies,
las penas viajan en coche,
tormento del amanecer,
la luna empieza a caer,
y el sol asesina la noche.
Hoy con sangre escribiré
que una maldita mujer
fué la causa de mi ruina
y, nunca nunca olvidaré
que hace tiempo otra mujer
sin piedad me dio la vida.
Para soportar mi condena
y descansar mis penas
¿Quien me presta un corazón?
Asfalto empieza a llover
caen lagrimas en el arcén
y el cielo escupe reproches
maldiciendo no se a quien
voy como Cristo sin fé
viajando al fin de la noche.
Soy una vía sin tren.
Una monja en un burdel.
Una botella vacia.
Soy como un vaso al revés.
Como Cain sin Abel.
Una batalla perdida.
¿Un paraíso en la tierra?
La verdad es que un alma en pena
vive mejor que yo.
Los faros ya no dejan ver.
La aguja señalando cien.
Las venas cargadas de noche.
La máquina muere de sed.
Motor, beber y correr.
Alguien morirá esta noche.
Nunca un libro escribiré
jamás un arbol plantaré
ni a un hijo daré la vida
siempre es tarde y esta vez,
será la ultima vez
hermana muerte querida.
Para soportar mi condena,
y para descansar mis penas,
¿quién me presta un corazón?
Reizend naar het eind van de nacht
Rijdend, het is zes uur,
de fles tussen mijn voeten,
de zorgen reizen per auto,
marteling van de dageraad,
de maan begint te vallen,
en de zon vermoordt de nacht.
Vandaag schrijf ik met bloed
dat een verdomde vrouw
de oorzaak van mijn ondergang was
en, ik zal nooit vergeten
dat een tijd geleden een vrouw
me zonder genade het leven gaf.
Om mijn straf te doorstaan
en mijn zorgen te laten rusten,
wie leent me een hart?
Asfalt begint te regenen,
broem valt op de berm,
en de lucht spuugt verwijten,
verlammend, ik weet niet voor wie.
Ik ga als Christus zonder geloof
reizend naar het eind van de nacht.
Ik ben een spoor zonder trein.
Een non in een bordeel.
Een lege fles.
Ik ben als een omgekeerd glas.
Zoals Kaïn zonder Abel.
Een verloren strijd.
Een paradijs op aarde?
De waarheid is dat een zwerver
beter leeft dan ik.
De lichten laten niet meer zien.
De naald wijst naar honderd.
De aderen vol van de nacht.
De motor sterft van dorst.
Motor, drinken en rennen.
Iemand zal deze nacht sterven.
Nooit zal ik een boek schrijven,
nooit een boom planten,
en niemand leven geven.
Altijd te laat, en deze keer,
zal het de laatste keer zijn,
zuster dood, geliefde.
Om mijn straf te doorstaan,
en om mijn zorgen te laten rusten,
wie leent me een hart?