Abril
Pienso en abril,
En la sencilla
Contradicción:
Brilla la lluvia con el sol
En un pacto, un instante
O un tiempo más...
Pienso después
Cada palabra
Para decir:
Dónde quedaste, en qué vagón,
Unos meses atrás?
Adonde estás?...
Puedo tocar
El aire donde estuvo el dios
Benévolo
De tu cuerpo.
Y repasar
Los párrafos sin terminar,
Crepúsculos
Que nunca se van.
Pienso quemar
Todos los vientos,
Puedo fundir
En una carta, una canción,
Los pedazos de un año,
O un tiempo más...
Hasta entonces
Dame paz, dame muerte
O la vida
O un tiempo más…
(bis los cuatro últimos versos)
April
Ik denk aan april,
Aan de simpele
Tegenstrijdigheid:
De regen schittert met de zon
In een pact, een moment
Of nog een tijd...
Ik denk daarna
Aan elk woord
Om te zeggen:
Waar ben je gebleven, in welke wagon,
Een paar maanden geleden?
Waar ben je?...
Ik kan de lucht aanraken
Waar de god
Welwillend
Van jouw lichaam was.
En de onafgebroken
Paragrafen herlezen,
Schemeringen
Die nooit verdwijnen.
Ik denk eraan om
Alle winden te verbranden,
Ik kan smelten
In een brief, een lied,
De stukjes van een jaar,
Of nog een tijd...
Tot dan
Geef me rust, geef me de dood
Of het leven
Of nog een tijd…
(bis de laatste vier regels)