395px

Stront en Lepel

Marea

Mierda Y Cuchara

Cuéntame, dime, ¿Quién te ha colgado el mar de las pestañas?
Y ahora dársena de estiercol se tornó la comisura de los besos
Sed de limón, cimbrear como las espadañas
Y en el hueco de mi espalda y la pared cuelga tu nido del revés
Y cada huevo parido es nada y cada beso en la boca es nada
Como si no hubiera pasado nada

Un reguero de Luna será nuestra casa
De esta Luna tan puta de pechos de plata
Será el arrullar de la libertad
Que tiene cogida pa ti y para mi en la goma de sus bragas

Cuéntame del llover, de los días de mierda y cuchara
De la rara podredumbre del querer, cuando no falta de nada
Porque sé que el saber no sirvió para dañar tus labios
Y que te sobra todo lo que va después, de yo te quiero y yo, también
Y mi costilla arrancada es nada, y cada trino quebrado es nada
Que fuimos, somos y seremos nada

Aguacero de soles caerá en nuestra cama
Que solo quiere amores de piernas mojadas
Y dejarnos prender, que no es menester
Ponernos en pie, tú como Luna en celo y yo como una cabra

Regaré, sin querer, con silencio, estrellas, tu cuarto
Que no anhela más que el grito del papel en el que he escrito mi quehacer
Que nunca más servirá de nada si su tronido se queda en nada
Cuando su savia ya no riega nada

Un reguero de Luna será nuestra casa
De esta Luna tan puta de pechos de plata
Será el arrullar de la libertad
Que tiene cogida pa' ti y para mi en la goma de sus bragas

Stront en Lepel

Vertel me, zeg me, wie heeft je de zee van wimpers gegeven?
En nu is de kade van mest de hoek van de kussen geworden
Dorst naar citroen, wiegen als de rietpluimen
En in de holte van mijn rug hangt je nest ondersteboven
En elk ei dat gelegd wordt is niets en elke kus op de mond is niets
Alsof er niets is gebeurd

Een spoor van de Maan zal ons huis zijn
Van deze Maan zo hoerig met zilveren borsten
Zal het wiegen van de vrijheid zijn
Die vastgehouden wordt voor jou en voor mij in de elastiek van haar onderbroek

Vertel me over de regen, over de dagen van stront en lepel
Over de vreemde rotzooi van de liefde, wanneer er niets ontbreekt
Want ik weet dat weten niet hielp om je lippen te beschadigen
En dat je alles over hebt wat daarna komt, van ik hou van jou en ik ook
En mijn uitgetrokken rib is niets, en elke gebroken trilling is niets
Dat we waren, zijn en altijd niets zullen zijn

Een stortbui van zonnen zal op ons bed vallen
Dat alleen maar houdt van natte benen
En ons laten vangen, dat is niet nodig
Om op te staan, jij als de Maan in hitte en ik als een geit

Ik zal, zonder het te willen, met stilte, sterren, je kamer besproeien
Die niet meer verlangt dan de schreeuw van het papier waarop ik mijn werk heb geschreven
Dat nooit meer iets zal dienen als het gedonder in niets blijft
Wanneer zijn sap niets meer bewaterd

Een spoor van de Maan zal ons huis zijn
Van deze Maan zo hoerig met zilveren borsten
Zal het wiegen van de vrijheid zijn
Die vastgehouden wordt voor jou en voor mij in de elastiek van haar onderbroek

Escrita por: Marea / Kutxi Romero