395px

De Zoon van Inés

Marea

El Hijo de La Inés

Buscaré tu jaula a tientas
Pa que otra vez me mientas
Y digas que no hay carbón
Que manche mi almohada
Que el alma me chilla
Que salen astillas de mi corazón

Sube conmigo a la acera
Verás la tiritera que da de ver el color
Que dan a la tierra los hijos de perra
Que pintan de oscuro todo corazón
Que se atreva a latir
Y quieren derribar el tronco
De ruiseñores roncos
Donde vivimos tú y yo
Que no tiene dueño, ni dioses, ni reyes
Que suenen los muelles de mi corazón

Ten cuidao con la luna dicen las estrellas
Más guapa que ninguna, me quedo con ella otra vez
Me mata, pero a gatas vuelvo a nacer
Bizquean las farolas de los sueños míos
Mis pensamientos llenan de escombros el río de miel
De cada sitio que roza su piel
Mi madriguera tiene cuatro mil ventanas
Para salir corriendo si me viene en gana correr
Y que amanezca si va a amanecer
Que el hijo de la Inés me ha roto las esquinas
Para que en mi azotea aniden golondrinas, ya ves
No sabe ná de lo que hay que saber

Y en su patio caen las pinzas de la ropa de algún Dios
Para que le abra la puerta
Y en el mío, de cuclillas, se ha puesto a cagar el sol
Para que nunca me duerma

Que dicen que la noche se ha quedado corta
A ti te da lo mismo y a mi no me importa, y ayer
¿Qué voy a hacerle si ayer era ayer?
Que el hijo de la Inés no entiende de colores
Y dice que entre amores nunca se ha caído de pie
Que se descuida y se vuelve a caer

Y en su patio caen las pinzas de la ropa de algún Dios
Para que le abra la puerta
Y en el mío, de cuclillas, se ha puesto a cagar el sol
Para que nunca me duerma

De Zoon van Inés

Ik zal je kooi in het donker zoeken
Zodat je me weer kunt bedriegen
En zeggen dat er geen kolen zijn
Die mijn kussen bevlekken
Dat mijn ziel schreeuwt
Dat er splinters uit mijn hart komen

Kom met me mee naar de stoep
Je zult de rillingen zien van het zien van de kleur
Die de hondenkinderen aan de aarde geven
Die alles donker maken in elk hart
Dat durft te kloppen
En ze willen de stam omverwerpen
Van schorre nachtegalen
Waar jij en ik wonen
Die geen eigenaar, geen goden, geen koningen heeft
Laat mijn hart maar klinken

Pas op met de maan, zeggen de sterren
Mooier dan wie dan ook, ik kies weer voor haar
Ze maakt me kapot, maar op handen en knieën word ik weer geboren
De lantaarns van mijn dromen knipperen
Mijn gedachten vullen de rivier van honing met puin
Van elke plek die haar huid raakt
Mijn hol heeft vierduizend ramen
Om weg te rennen als ik zin heb om te rennen
En laat de dageraad maar komen als het gaat aanbreken
Want de zoon van Inés heeft mijn hoeken gebroken
Zodat zwaluwen op mijn dak kunnen nestelen, zie je
Hij weet niets van wat je moet weten

En in zijn binnenplaats vallen de wasknijpers van een of andere god
Zodat hij de deur opent
En in de mijne, hurkend, heeft de zon zitten poepen
Zodat ik nooit in slaap val

Ze zeggen dat de nacht te kort is gebleven
Jij maakt het niet uit en het kan me niet schelen, en gisteren
Wat kan ik eraan doen als gisteren gisteren was?
Want de zoon van Inés begrijpt niets van kleuren
En zegt dat hij nooit op zijn voeten is gevallen tussen de liefdes
Dat hij zich verwaarloost en weer valt

En in zijn binnenplaats vallen de wasknijpers van een of andere god
Zodat hij de deur opent
En in de mijne, hurkend, heeft de zon zitten poepen
Zodat ik nooit in slaap val

Escrita por: Kutxi Romero / Marea