395px

Harde Brood (ft. Fito Cabrales)

Marea

Pan Duro (part. Fito Cabrales)

Arrugas que son surcos con retoños tiernos
Livianas como son los fardos de cargar los sueños
Que tragan ruedas de molino y se les ven todos los huesos
Que saben que sus años tienen más de cuatro inviernos

Silencio por el techo, por los platos llenos
Silencio bañado en sudores de los jornaleros
El Sol lo han hecho sus jirones
Que saben lo que vale un beso
Que no quieren llevar los nombres de sus carceleros

¿Qué saben las tripas de puños cerrados?
Saben que las riegan los amargos tragos
Saben todo y más de tenerse en pie
De la soledad
Saben porqué está siempre duro el pan

Monedas de tan sucias tan desdibujadas
Odioso tintineo en manos encalladas
Y son las patas de sus mulas
Si el látigo se llama hambre
Las dueñas de caminos que no son de nadie

Cerrojos al antojo de la poca hondura
Abiertos para dar paso a las herraduras
Que dejan huellas que los guían para volver a desquitarse
Para no tener que rasgarse más las vestiduras

¿Qué saben las tripas de puños cerrados?
Saben que las riegan los amargos tragos
Saben todo y más de tenerse en pie
De la soledad
Saben porqué está siempre duro el pan
Siempre duro

Harde Brood (ft. Fito Cabrales)

Rimpels die zijn als voren met jonge scheuten
Licht als de lasten van het dragen van dromen
Die door molenstenen worden verteerd en waarvan je alle botten ziet
Die weten dat hun jaren meer dan vier winters tellen

Stilte op het dak, door de volle borden
Stilte doordrenkt met zweet van de dagloners
De zon hebben ze gemaakt van hun gescheurde kleren
Die weten wat een kus waard is
Die niet de namen willen dragen van hun gevangenisbewakers

Wat weten de darmen van gebalde vuisten?
Ze weten dat ze worden besproeid door de bittere slokken
Ze weten alles en meer over rechtop blijven staan
Over de eenzaamheid
Ze weten waarom het brood altijd hard is

Munten zo vuil, zo vervaagd
Haatdragend geklingel in verkrampte handen
En het zijn de poten van hun muilezels
Als de zweep honger heet
De eigenaars van wegen die van niemand zijn

Sloten naar believen van de geringe diepte
Open om de hoefijzers door te laten
Die sporen achterlaten die hen leiden om zich te wreken
Om niet meer hun kleren te hoeven scheuren

Wat weten de darmen van gebalde vuisten?
Ze weten dat ze worden besproeid door de bittere slokken
Ze weten alles en meer over rechtop blijven staan
Over de eenzaamheid
Ze weten waarom het brood altijd hard is
Altijd hard

Escrita por: