La Luna Me Sabe a Poco
Decía que tenía el corazón alicatao hasta el techo
Que a ver si no podía hacerle yo una cenefa a besos
Pa llenar de porvenir los bolsillos del mandil
Y colgar un recuerdo de cada azulejo
Y es que ná le da más asco, que aguantar como un peñasco
A que pase el invierno
Que le diga que ya nos veremos
Que ha vivido en un silbido
Orgullosa de haber sido una yegua sin freno
Desgastada de andar por el suelo
Le dije que a la noche por los poros me salían mares
Soñando que me hablaba y me agarraba a sus cuerdas vocales
Que no hay quien pueda dormir escuchando mi latir
Que parece que está masticando cristales
Tengo un gato en las entrañas, un tembleque en las pestañas
Y muy poco tiempo
Si me dice que ya nos veremos
Voy rompiendo las persianas, pa dejar por mi ventana
El camino abierto, si se cansa de andar por el suelo
Pondremos el mantel, tu quédate a mi lado
A comernos al amanecer lo que quieran las manos
Y de postre un sol maldito que termine de volverme loco
Que ya sabes que la luna a mí siempre me sabe a poco
Decía que tenía el corazón alicatao hasta el techo
Que a ver si no podía hacerle yo una cenefa a besos
Pa llenar de porvenir los bolsillos del mandil
Y colgar un recuerdo de cada azulejo
Pondremos el mantel, tu quédate a mi lado
A comernos al amanecer lo que quieran las manos
Y de postre un sol maldito que termine de volverme loco
Que ya sabes que la luna a mí siempre me sabe a poco
De Maan Smaakt Altijd Te Weinig
Ze zei dat haar hart tot aan het plafond betegeld was
Dat ik haar misschien een rand van kussen kon geven
Om de zakken van de schort te vullen met toekomst
En een herinnering aan elke tegel op te hangen
En er is niets zo walgelijk als het volhouden als een rots
Tot de winter voorbij is
Dat ze zegt dat we elkaar weer zullen zien
Dat ze heeft geleefd in een fluitje
Trots om een merrie zonder teugels te zijn
Versleten van het lopen over de grond
Ik zei haar dat 's nachts de zeeën uit mijn poriën kwamen
Dromend dat ze met me sprak en me vastgreep aan haar stembanden
Dat niemand kan slapen terwijl mijn hart klopt
Het lijkt wel alsof ze glas aan het kauwen is
Ik heb een kat in mijn ingewanden, een trilling in mijn wimpers
En heel weinig tijd
Als ze me zegt dat we elkaar weer zullen zien
Breek ik de jaloezieën af, om door mijn raam
De weg open te laten, als ze moe is van het lopen over de grond
We leggen de tafel, jij blijft aan mijn zijde
Om bij zonsopgang te eten wat onze handen willen
En als toetje een vervloekte zon die me gek maakt
Want je weet dat de maan voor mij altijd te weinig smaakt
Ze zei dat haar hart tot aan het plafond betegeld was
Dat ik haar misschien een rand van kussen kon geven
Om de zakken van de schort te vullen met toekomst
En een herinnering aan elke tegel op te hangen
We leggen de tafel, jij blijft aan mijn zijde
Om bij zonsopgang te eten wat onze handen willen
En als toetje een vervloekte zon die me gek maakt
Want je weet dat de maan voor mij altijd te weinig smaakt
Escrita por: Marea / Kutxi Romero / Alen Ayerdi Duque