En Las Encías
Seré como una faca en la garganta de un amor interrumpido
Mi voz es un pulmón tan renegrido como el agua de fregar
Me suenan las encías, el destino como una seguiriya con bozal
Eduardo llévame a canto cochino que no quiero ver el mar
Seré un trozo de luna podrido y resiliente
El dueño silencioso de una lengua candente
Seré el cuerpo presente que sé el futuro en el calzón
Que el aire en la avenida por siempre emputecido
Me traiga en las alforjas lo que pudo haber sido
Que el barro desabrido se coma en Berriozar el corazón
Que quede de mí
Me estampo contra el raudo calendario a la espera de otra nube
No salen ni las cuentas del rosario si me da por no morir
La tromba llegará hasta la rodilla la tarde que me empieces a llorar
Cuidado con Peter Pan mi campanilla no lo tengas que velar
Seré la fosa errante de un verso mal oliente
Que no encontró el sentido a no querer quererte
Que se bebió los ríos y fue a desembocar en tu rincón
Quizá el poema en celo que se jugó los dientes
Te muerda como nunca ladrando como siempre
Y vuelva del hastío quemando su navío en el sillón
Seré la desvergüenza de un tal Judas que treinta veces te niegue y luego más
Que se ha metido una vela tan cruda que no la puede tragar
Buscaba en las alturas pala y pico
Buscaba la ballena de Jonás
Me fui a desenterrar a Federico para nunca regresar
Seré un trozo de luna podrido y resiliente
El dueño silencioso de una lengua candente
Seré el cuerpo presente que se metió el futuro en el calzón
Que el aire en la avenida por siempre emputecido
Me traiga en las alforjas lo que pudo haber sido
Que el barro desabrido se coma en Berriozar el corazón
Que quede de mí
In De Tandvlees
Ik zal zijn als een mes in de keel van een onderbroken liefde
Mijn stem is een long zo zwart als het afwaswater
Mijn tandvlees doet pijn, het lot als een seguiriya met een muilkorf
Eduardo, neem me mee naar een vies lied, ik wil de zee niet zien
Ik zal een stuk verrotte en veerkrachtige maan zijn
De stille eigenaar van een vurige tong
Ik zal het aanwezige lichaam zijn dat de toekomst in mijn onderbroek weet
Dat de lucht op de boulevard voor altijd verziekt is
Me in de zadeltassen brengt wat het had kunnen zijn
Dat de smaakloze modder in Berriozar mijn hart opeet
Dat er van mij overblijft
Ik knal tegen de razendsnelle kalender in afwachting van een andere wolk
De rekeningen van de rozenkrans komen niet als ik besluit niet te sterven
De stortbui zal tot mijn knieën komen de middag dat je begint te huilen
Pas op voor Peter Pan, mijn Tinkerbell, laat hem niet waken
Ik zal de zwervende put zijn van een stinkend vers
Dat de betekenis niet vond van niet willen houden van jou
Dat de rivieren opdronk en in jouw hoek uitkwam
Misschien zal het poëzie in hitte dat zijn tanden heeft ingezet
Je bijten als nooit tevoren, blaffend als altijd
En terugkomen van de verveling, zijn schip verbrandend op de stoel
Ik zal de schaamteloosheid zijn van een bepaalde Judas die je dertig keer ontkent en dan nog meer
Die een zo rauwe kaars heeft gestoken dat hij hem niet kan doorslikken
Zocht in de hoogtes naar schep en pikhouweel
Zocht de walvis van Jona
Ik ging Federico opgraven om nooit meer terug te keren
Ik zal een stuk verrotte en veerkrachtige maan zijn
De stille eigenaar van een vurige tong
Ik zal het aanwezige lichaam zijn dat de toekomst in mijn onderbroek heeft gestopt
Dat de lucht op de boulevard voor altijd verziekt is
Me in de zadeltassen brengt wat het had kunnen zijn
Dat de smaakloze modder in Berriozar mijn hart opeet
Dat er van mij overblijft