Los Inundados
Bramando se viene el agua
del Paraná
creciendo noche y día
sin parar.
Ranchada, barranca, tronco
se llevará
con viento y aguacero
el Paraná.
Mi rancho hasta la cumbrera
ya se anegó
ni el ceibo ni el aromo
tienen flor.
Estaba triste la tarde
cuando me fui;
cantó su dulce queja
el yerutí.
Por el río navegando
la canoa va cargada
redes, palos, aparejos
los salvé de la ranchada.
Por el río volveré
a Santa Fe.
El agua vino bramando
pobre quedé
ni rancho ni cobija
he de tener.
No me han de sacar del pago
donde nací
peleando a la corriente
he de vivir.
El cielo ya está limpiando
vuela el chajá
calandrias y crestudos
cantan ya.
Así ha de llegar día
en que volveré
a levantar mi rancho
en Santa Fe.
De Overstromingen
Het water komt brullend
van de Paraná
groeit dag en nacht
zonder te stoppen.
Hut, oever, stam
neemt het mee
met wind en stortbui
de Paraná.
Mijn hut tot de nok
is al ondergelopen
geen ceibo of aromo
heeft nog bloesem.
De middag was treurig
toen ik vertrok;
zingend zijn zoete klacht
de yerutí.
Over de rivier varend
is de kano volgeladen
netten, stokken, tuig
heb ik gered van de overstroming.
Over de rivier keer ik terug
aar Santa Fe.
Het water kwam brullend
ik ben arm geworden
geen hut of dekens
zal ik hebben.
Ze zullen me niet wegsturen uit het dorp
waar ik ben geboren
vechtend tegen de stroom
zal ik leven.
De lucht klaart al op
vliegt de chajá
kalander en crestudos
zingen al.
Zo zal de dag komen
waarin ik terugkeer
om mijn hut weer op te bouwen
in Santa Fe.
Escrita por: Ariel Ramírez / Guiche Aizemberg