La Zafrera
El sol despierta en la zafra
la escarcha del cañaveral,
y en el dulce rocío del agua
baja el viento a cantar,
cuando el brazo zafrero
derriba el oscuro sabor del jornal.
El día enciende en la caña
lo verde de mi Tucumán,
y en el aire de un silbo andariego
la mañana se va
a jugar con el chango
que dejé esperando allá en Famaillá.
Cuando la luna zafrera
se queme en las carpas de tanto soñar,
subirá por la sangre de un grito
su tambor a golpear,
pa' que se haga esperanza
el amargo almíbar del cañaveral.
La luz metal del machete
cantando por los tallos va,
y en el sordo crujido del carro
agoniza un zorzal,
cuando suelta el camino
su lengua sedienta por el arenal.
La tarde oscura de azúcar
se apaga ya en el naranjal,
y en la sombra frutal del aroma
sueña mi Tucumán
porque adentro e'su noche,
mi zafra de zamba me pongo a cantar.
De Suikerplantage
De zon ontwaakt op de suikerplantage
het rijp van het suikerriet,
en in de zoete dauw van het water
komt de wind om te zingen,
wanneer de suikerrietwerker
het donkere smaak van de dag breekt.
De dag ontsteekt in het riet
de groene van mijn Tucumán,
en in de lucht van een zwervende fluit
gaat de ochtend voorbij
dat gaat spelen met de jongen
die ik daar in Famaillá heb achtergelaten.
Wanneer de suikerrietmaan
verbrand in de tenten van zoveel dromen,
zult het stijgen door het bloed van een schreeuw
een zijn trommel laten horen,
zodat hoop ontstaat
de bittere siroop van het suikerriet.
Het metalen licht van de machete
zingend langs de stelen gaat,
en in het doffe gekraak van de wagen
gaat een merel ten onder,
wanneer het de weg loslaat
en zijn dorstige tong door het zand laat gaan.
De donkere namiddag van suiker
dooft al in de sinaasappelboomgaard,
en in de vruchtbare schaduw van de geur
droomt mijn Tucumán
want binnen is het nacht,
ik begin te zingen over mijn suikerplantage.