La pucha con el hombre (part. Mex Urtizberea)
El hombre nace y muere a veces sin vivir
Camina desde el niño al viejo sin gozar
Eso que el mismo le llama felicidad
Si la tiene aquí la va a buscar allá
Tropieza tantas veces en una misma piedra
Frutas que llega pasa sin madurar
Si tiene filo quiere tener mucho más
Es un misterio y es de la vida la sal
Tiene alma de guitarra
Encordada de estrellas
Y es una falta envido su corazón
Solo se diferencia del reino animal
Porque es el hombre el único capaz de odiar
Pero mientras el hombre
Se asombre, llore y ría
Será la fantasía que Dios creo
Es una lágrima de niño y de crespín
Es monte denso copla vida y manantial
Es muy capaz de dar la vida o de matar
Es luz y sombra, tierra arada y arenal
La pucha con el hombre
Querer ser tantas cosas
Y nunca más que cuando tan solo es él
Es un camino que anda solo bajo el Sol
Sendero trajinado por sueños de amor
Es un viejo legüero
Garroteando de chango
Con son de vino triste y de carnaval
Solo se diferencia del reino animal
Porque es el hombre el único capaz de odiar
Pero mientras el hombre
Se asombre, llore y ría
Será la fantasía que Dios creo
De man en zijn ellende (ft. Mex Urtizberea)
De man wordt geboren en sterft soms zonder te leven
Hij loopt van kind naar oud zonder te genieten
Datgene wat hij zelf geluk noemt
Als hij het hier heeft, zoekt hij het daar
Hij struikelt zo vaak over dezelfde steen
Vruchten die hij tegenkomt, laat hij onrijp voorbijgaan
Als hij scherp is, wil hij nog veel meer
Het is een mysterie en het zout van het leven
Hij heeft de ziel van een gitaar
Gespannen met sterren
En zijn hart is een gemis, een schande
Hij verschilt alleen van het dierenrijk
Omdat de man de enige is die kan haten
Maar zolang de man
Verbaasd, huilt en lacht
Zal het de fantasie zijn die God heeft geschapen
Het is een traan van een kind en van een krullenbol
Het is dichte bossen, levenslied en bron
Hij is heel goed in het geven van leven of in doden
Het is licht en schaduw, bewerkte aarde en zandgrond
De man in zijn ellende
Wil zoveel dingen zijn
En nooit meer dan wanneer hij gewoon hijzelf is
Het is een pad dat alleen onder de zon loopt
Een pad bewandeld door dromen van liefde
Het is een oude zwerver
Die met een stok van een aap
Met een treurig wijntje en carnavalstonen
Hij verschilt alleen van het dierenrijk
Omdat de man de enige is die kan haten
Maar zolang de man
Verbaasd, huilt en lacht
Zal het de fantasie zijn die God heeft geschapen