O Que Será (a Flor da Pele) (part. Chico Buarque)
O que será que me dá?
Que me bole por dentro
O que será que me dá?
Que brota à flor da pele
O que será que me dá?
E que me sobe às faces e me faz corar
E que me salta aos olhos, a me atraiçoar
E que me aperta o peito e me faz confessar
O que não tem mais jeito de dissimular
E que nem é direito ninguém recusar
E que me faz mendigo
Me faz suplicar
O que não tem medida, nem nunca terá
O que não tem remédio, nem nunca terá
O que não tem receita
O que será que será?
Que dá dentro da gente
E que não devia
Que desacata a gente que é revelia
Que é feito uma água ardente que não sacia
Que é feito estar doente de uma folia
Que nem dez mandamentos vão conciliar
Nem todos os unguentos vão aliviar
Nem todos os quebrantos toda alquimia
E nem todos os santos
O que será que será?
O que não tem descanso, nem nunca terá
O que não tem cansaço, nem nunca terá
O que não tem limite
O que será que me dá?
Que me queima por dentro, será que me dá?
Que me perturba o sono, será que me dá?
Que todos os tremores vem agitar
Que todos os ardores me vem atiçar
Que todos os suores me vem encharcar
Que todos os meus nervos estão a rogar
Que todos os meus órgãos estão a clamar
Que uma aflição medonha me faz implorar
O que não tem vergonha, nem nunca terá
O que não tem governo, nem nunca terá
O que não tem juízo
Wat Zal Het Zijn (de Bloem van de Huid)
Wat is het dat me raakt?
Dat me van binnen doet draaien
Wat is het dat me raakt?
Dat opbloeit op mijn huid
Wat is het dat me raakt?
En dat me naar mijn wangen stijgt en me laat blozen
En dat in mijn ogen springt, me verraden
En dat mijn borst knijpt en me laat bekennen
Wat niet meer te verbergen valt
En wat niemand kan weigeren
En dat me tot bedelaar maakt
Me laat smeken
Wat geen maat heeft, en nooit zal hebben
Wat geen medicijn heeft, en nooit zal hebben
Wat geen recept heeft
Wat zal het zijn?
Wat van binnen in ons leeft
En wat niet zou moeten
Wat ons in verzet brengt
Wat als brandewijn is die niet verzadigt
Wat is als ziek zijn van een feest
Wat zelfs de tien geboden niet kan verzoenen
Geen enkel zalfje kan verlichten
Geen enkele toverkunst kan helen
En geen enkele heilige
Wat zal het zijn?
Wat geen rust heeft, en nooit zal hebben
Wat geen vermoeidheid kent, en nooit zal kennen
Wat geen grenzen heeft
Wat is het dat me raakt?
Dat me van binnen verbrandt, wat is het dat me geeft?
Dat mijn slaap verstoort, wat is het dat me geeft?
Dat alle schokken me komen opschudden
Dat alle vuren me komen aansteken
Dat al mijn zweet me komt doordrenken
Dat al mijn zenuwen aan het smeken zijn
Dat al mijn organen aan het roepen zijn
Dat een vreselijke angst me laat smeken
Wat geen schaamte heeft, en nooit zal hebben
Wat geen controle heeft, en nooit zal hebben
Wat geen verstand heeft.