Frühling
Es klaget die Lerche ihr Hoffnungsgesang,
der alte Schmerzen vergessen macht.
Ich lausche in Tränen dem Frühlingsklang,
der Liebe nach tief-kühler Nacht.
Der Krähen Klage dringt nicht an mein Ohr,
ich riß es aus meinem klagend' Gewissen.
Ich mordete alle Schatten hinfort,
die einst mich in Abgründe rissen
Auch hab ich das blut-rost'ge Messer
wohl unterm Kirschenbaum vergraben
und habe den Dämon der Rache
in meinen Träumen erschlagen.
Auf daß es in seinen Wurzeln warm,
gleich ei'm totem Kinde schlafe.
Und nicht erwecke ein alt- gestr'gen Harm,
mit dem ich die jung' Liebe strafe.
Es fallen die Blüten der Kirschen,
wie weiße Tränen auf mich herab.
Zum Zeichen als ob ich nun wäre
erweckt aus dem Schlaf in feucht-kaltem Grab.
Lente
De leeuwerik klaagt zijn hoopgezang,
vergeten maakt de oude pijn.
Ik luister in tranen naar de lentegeluid,
de liefde na de diep-koude nacht.
De klaagzang van de kraaien bereikt mijn oor niet,
ik rukte het uit mijn klagend geweten.
Ik vermoordde alle schaduwen voorgoed,
die me ooit in afgronden trokken.
Ook heb ik het roestige mes,
wel onder de kersenboom begraven
en heb de demon van wraak
in mijn dromen verslagen.
Opdat het in zijn wortels warm is,
als een dood kind dat slaapt.
En niet een oude, treurige pijn wekt,
waarmee ik de jonge liefde straft.
De bloesems van de kersen vallen,
als witte tranen op mij neer.
Als een teken dat ik nu ben
ontwaken uit de slaap in een vochtig-koud graf.