Três Apitos
Quando o apito da fábrica de tecidos
Vem ferir os meus ouvidos
Eu me lembro de você
Mas você anda
Sem dúvida bem zangada
E está interessada
Em fingir que não me vê
Você que atende ao apito de uma chaminé de barro
Por que não atende ao grito
Tão aflito
Da buzina do meu carro
Você no inverno
Sem meias vai pro trabalho
Não faz fé com agasalho
Nem no frio você crê
Mas você é mesmo artigo que não se imita
Quando a fábrica apita
Faz reclame de você
Nos meus olhos você lê
Que eu sofro cruelmente
Com ciúmes do gerente
Impertinente
Que dá ordens a você
Sou do sereno, poeta muito soturno
Vou virar guarda-noturno
E você sabe por quê
Mas você não sabe
Que enquanto você faz pano
Faço junto do piano
Estes versos pra você
Drie Fluitjes
Wanneer het fluitje van de textielfabriek
Mijn oren komt kwetsen
Denk ik aan jou
Maar jij loopt
Zonder twijfel heel boos
En bent geïnteresseerd
In doen alsof je me niet ziet
Jij die luistert naar het fluitje van een kleioven
Waarom luister je niet naar de schreeuw
Zo wanhopig
Van de toeter van mijn auto
Jij in de winter
Zonder sokken naar je werk
Gelooft niet in een jas
Zelfs niet in de kou
Maar jij bent echt een uniek exemplaar
Wanneer de fabriek fluit
Krijgt ze klachten over jou
In mijn ogen lees je
Dat ik vreselijk lijd
Van jaloezie op de manager
Onbeschoft
Die jou opdrachten geeft
Ik ben de serenade, een zeer sombere dichter
Ik ga nachtwaker worden
En jij weet waarom
Maar jij weet niet
Dat terwijl jij stof maakt
Ik samen met de piano
Deze verzen voor jou schrijf