395px

De Raaf

Omnia

The Raven

Once upon a midnight dreary, while I pondered weak and weary
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping
As of some one gently rapping, tapping at my chamber door
'Tis some visitor, I muttered, tapping at my chamber door
Only this, and nothing more

Ah, distinctly I remember it was in the bleak December
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor
Eagerly I wished the morrow; - vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow - sorrow for the lost Lenore
For the rare and radiant maiden whom the angels named Lenore
Nameless here forevermore

And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me - filled me with fantastic terrors never felt before
Presently, to still the beating of my heart, I stood repeating
`'Tis some visitor entreating entrance at my chamber door
Some late visitor entreating entrance at my chamber door
Merely this, and nothing more,

Out into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing
Doubting, dreaming dreams no mortal ever dared to dream before
But the silence was unbroken, and the stillness gave no token
And the only word there spoken was the whispered word, Lenore!
This I whispered, and an echo murmured back the word, Lenore!
Merely this and nothing more

Back into the chamber turning, all my soul within me burning
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before
Surely, said I, surely that is something at my window lattice
Let me see then, what thereat is, and this mystery explore
Let my heart be still a moment and this mystery explore
'Tis the wind and nothing more!'

Open wide I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter
In there stepped a stately raven of the saintly days of yore
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door
Perched upon a bust of arice just above my chamber door
Perched, and sat, and nothing more

Soon that ebony bird beguiling my sad fancy into smiling
By the grave and stern decorum of the countenance it wore
Though thy crest be shorn and shaven, thou, I said, art sure no craven
Ghastly grim and ancient raven wandering on the nightly shore
Tell me what thy lordly name is on this Night's Plutonian shore!'
Quoth the raven, Nevermore

Now the raven, sitting lonely on that placid bust, spoke only
That one word, as if his soul in that one word he did outpour
Nothing further then he uttered - not a feather then he fluttered
Till I scarcely more than muttered `Other friends have gone before
On the morrow will he leave me, as my hopes have flown before
Quoth the raven, Nevermore

Then, methought, the air grew denser, perfumed by an unseen censer
Swung by Seraphim whose foot-falls tinkled on the tufted floor
Once more, on the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore
What this grim, ungainly, ghastly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking: Nevermore

Prophet! said I, thing of evil! prophet still, if bird or devil!
Whether tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore
Desolate yet all undaunted, on this desert isle enchanted
On this home by horror haunted tell me truly, I implore
Is there is there balm in Gilead? tell me, tell me, I implore!
Quoth the raven, Nevermore

Prophet! said I, thing of evil! - prophet still, if bird or devil!
By that Heaven streched above us - by that God we both adore
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn
It shall clasp a sainted maiden whom the angels named Lenore
Clasp a rare and radiant maiden, whom the angels named Lenore?
Quoth the raven, Nevermore

Be that word our sign in parting, bird or fiend!' I shrieked upstarting
Get thee back into the tempest of the Night's Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken! quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!'
Quoth the raven, `Nevermore.'

Now the raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of arice just above my chamber door
And his eyes have all the seeming of a demon's that is dreaming
And the lamp-light o'er him streaming throws his shadow on the floor
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Will be lifted - nevermore!

De Raaf

Eens, op een sombere middernacht, terwijl ik zwak en moe nadacht
Over vele vreemde en nieuwsgierige boeken vol vergeten kennis
Terwijl ik knikte, bijna sliep, kwam er plotseling een kloppen
Alsof iemand zachtjes klopte, klopte op mijn kamerdeur
'Tis een bezoeker, mompelde ik, kloppend op mijn kamerdeur
Slechts dit, en niets meer

Ah, ik herinner het me duidelijk, het was in de kille december
En elke afzonderlijke stervende gloed wierp zijn schaduw op de vloer
Verlangend keek ik uit naar de morgen; - tevergeefs had ik geprobeerd te lenen
Van mijn boeken een einde aan verdriet - verdriet om de verloren Lenore
Voor het zeldzame en stralende meisje dat de engelen Lenore noemden
Naamloos hier voor altijd

En het zijden, treurige, onzekere geritsel van elke paarse gordijn
Opwond me - vulde me met fantastische angsten die ik nooit eerder voelde
Op een gegeven moment, om de kloppende hartslag te stillen, herhaalde ik
'Tis een bezoeker die om toegang vraagt tot mijn kamerdeur
Een laat bezoeker die om toegang vraagt tot mijn kamerdeur
Slechts dit, en niets meer,

In die duisternis turend, stond ik daar lang te twijfelen, te vrezen
Twijfelend, dromend van dromen die geen sterveling ooit durfde te dromen
Maar de stilte was ongebroken, en de rust gaf geen teken
En het enige woord dat daar gesproken werd, was het gefluisterde woord, Lenore!
Dit fluisterde ik, en een echo mompelde terug het woord, Lenore!
Slechts dit en niets meer

Terug in de kamer draaiend, brandde mijn ziel binnenin me
Al snel hoorde ik weer een kloppen, iets luider dan daarvoor
Zeker, zei ik, dat is iets bij mijn raamrooster
Laat me dan zien, wat daar is, en dit mysterie verkennen
Laat mijn hart een moment stil zijn en dit mysterie verkennen
'Tis de wind en niets meer!'

Wijd opende ik het luik, toen, met veel gefladder en geflirt
Stapten daar een statige raaf van de heilige dagen van weleer binnen
Geen enkele buiging maakte hij; geen minuut stopte of bleef hij staan
Maar, met de houding van een heer of dame, zat hij boven mijn kamerdeur
Zittend op een buste van arice net boven mijn kamerdeur
Zittend, en niets meer

Al snel verleidde die ebbenhouten vogel mijn treurige fantasie tot glimlachen
Door de ernstige en strenge decorum van het gelaat dat hij droeg
Hoewel jouw kuif geschoren en geschoren is, zei ik, ben jij zeker geen lafaard
Grimmig, gruwelijk en oud, zwervend op de nachtelijke kust
Vertel me wat jouw heilige naam is op deze Plutonische kust van de Nacht!'
Zei de raaf, Nooit meer

Nu de raaf, eenzaam zittend op die kalme buste, sprak alleen
Dat ene woord, alsof zijn ziel in dat ene woord zich uitstortte
Niets verder sprak hij - geen veer fladderde hij
Tot ik nauwelijks meer dan mompelde 'Andere vrienden zijn eerder gegaan
Op de morgen zal hij me verlaten, zoals mijn hoop eerder is gevlogen
Zei de raaf, Nooit meer

Toen dacht ik, de lucht werd dichter, geparfumeerd door een onzichtbare wierook
Gezwaaid door Serafijnen wiens voetstappen tinkelden op de getufte vloer
Nogmaals, op de verzonken fluweel, begon ik te linken
Fantasie aan fantasie, denkend wat deze onheilspellende vogel van weleer
Wat deze grimmige, onhandige, gruwelijke, mager, en onheilspellende vogel van weleer
Betekende in het kraken: Nooit meer

Profeet! zei ik, ding van het kwaad! profeet nog steeds, als vogel of duivel!
Of het nu een verzoeker is, of of de storm jou hier aan wal heeft geworpen
Verlaten maar toch onverschrokken, op dit betoverde eiland
Op dit huis door horror achtervolgd, vertel me de waarheid, ik smeek
Is er, is er balsem in Gilead? vertel me, vertel me, ik smeek!
Zei de raaf, Nooit meer

Profeet! zei ik, ding van het kwaad! - profeet nog steeds, als vogel of duivel!
Bij die hemel die boven ons uitgestrekt is - bij die God die we beiden aanbidden
Vertel deze ziel beladen met verdriet of, binnen de verre Aidenn
Zij een heilige maagd zal omarmen die de engelen Lenore noemden
Omarm een zeldzame en stralende maagd, die de engelen Lenore noemden?
Zei de raaf, Nooit meer

Zij dat woord ons teken in het afscheid, vogel of demon!' schreeuwde ik opstaand
Ga terug in de storm van de Plutonische kust van de Nacht!
Laat geen zwarte veer achter als een teken van die leugen die jouw ziel heeft gesproken!
Laat mijn eenzaamheid ongebroken! verlaat de buste boven mijn deur!
Neem jouw snavel uit mijn hart, en neem jouw vorm van mijn deur!'
Zei de raaf, 'Nooit meer.'

Nu de raaf, nooit fladderend, zit nog steeds, zit nog steeds
Op de bleke buste van arice net boven mijn kamerdeur
En zijn ogen hebben de schijn van een demon die droomt
En het lamplicht dat over hem stroomt werpt zijn schaduw op de vloer
En mijn ziel uit die schaduw die op de vloer ligt
Zal worden opgetild - nooit meer!

Escrita por: Edgar Allan Poe