395px

Ik Heb

Pablo Milanés

Tengo

Cuando me veo y toco
yo, Juan sin Nada no más ayer,
y hoy Juan con Todo,
y hoy con todo,
vuelvo los ojos, miro,
me veo y toco
y me pregunto cómo ha podido ser.

Tengo, vamos a ver,
tengo el gusto de andar por mí país,
dueño de cuanto hay en él,
mirando bien cerca lo que antes
no tuve ni podía tener.
Zafra puedo decir,
monte puedo decir,
ciudad puedo decir,
ejército decir,
ya míos para siempre y tuyos, nuestros,
y un ancho resplandor
de rayo, estrella, flor.

Tengo, vamos a ver,
tengo el gusto de ir
yo, campesino, obrero, gente simple,
tengo el gusto de ir
(es un ejemplo)
a un banco y hablar con el administrador,
no en inglés,
no en señor,
sino decirle compañero como se dice en español.

Tengo, vamos a ver,
que siendo un negro
nadie me puede detener,
a la puerta de un dancing o de un bar.
O bien en la carpeta de un hotel
gritarme que no hay pieza,
una mínima pieza y no una pieza colosal,
una pequeña pieza donde yo pueda descansar.

Tengo, vamos a ver,
que no hay guardia rural
que me agarre y me encierre en un cuartel,
ni me arranque y me arroje de mi tierra
al medio del camino real.
Tengo que como tengo la tierra tengo el mar,
no country,
no jailáif,
no tenis y no yatch,
sino de playa en playa y de ola en ola,
gigante azul abierto democrático:
en fin, el mar.

Tengo, vamos a ver,
que ya aprendí a leer,
a contar,
tengo que ya aprendí a escribir
y a pensar
y a reír.
Tengo que ya tengo
donde trabajar
y ganar
lo que me tengo que comer.
Tengo, vamos a ver,
tengo lo que tenía que tener.

Ik Heb

Wanneer ik kijk en aanraak
ik, Juan zonder Niets, niet meer dan gisteren,
en vandaag Juan met Alles,
en vandaag met alles,
kijk ik om me heen, kijk,
ik zie en raak aan
en vraag me af hoe dit mogelijk is.

Ik heb, laten we eens kijken,
ik heb het genoegen om door mijn land te lopen,
eigenaar van wat er is,
goed kijken naar wat ik eerder
niet had en niet kon hebben.
Oogst kan ik zeggen,
bos kan ik zeggen,
stad kan ik zeggen,
leger kan ik zeggen,
nu van mij voor altijd en van jou, van ons,
en een brede glans
van bliksem, ster, bloem.

Ik heb, laten we eens kijken,
ik heb het genoegen om te gaan
ik, boer, arbeider, gewone mensen,
ik heb het genoegen om te gaan
(het is een voorbeeld)
naar een bank en met de beheerder te praten,
niet in het Engels,
niet in meneer,
maar hem kameraad te noemen zoals je in het Spaans zegt.

Ik heb, laten we eens kijken,
als een zwarte
kan niemand me tegenhouden,
bij de deur van een danszaal of een bar.
Of in de lobby van een hotel
roepen dat er geen kamer is,
een kleine kamer en geen enorme kamer,
een kleine kamer waar ik kan rusten.

Ik heb, laten we eens kijken,
geen plattelandswacht
die me pakt en opsluit in een kazerne,
of me weghaalt en uit mijn land gooit
op de grote weg.
Ik heb, omdat ik de aarde heb, heb ik de zee,
geen land,
geen gevangenis,
geen tennis en geen jacht,
maar van strand naar strand en van golf naar golf,
gigantisch blauw, open, democratisch:
kortom, de zee.

Ik heb, laten we eens kijken,
ik heb al leren lezen,
te tellen,
ik heb al leren schrijven
en denken
en lachen.
Ik heb al wat ik nodig heb
om te werken
en te verdienen
wat ik moet eten.
Ik heb, laten we eens kijken,
ik heb wat ik moest hebben.

Escrita por: Pablo Milanés