Gramática
O substantivo
É o substituto do conteúdo
O adjetivo
É a nossa impressão sobre quase tudo
O diminutivo
É o que aperta o mundo
E deixa miúdo
O imperativo
É o que aperta os outros e deixa mudo
Um homem de letras
Dizendo idéias
Sempre se inflama
Um homem de idéias
Nem usa letras
Faz ideograma
Se altera as letras
E esconde o nome
Faz anagrama
Mas se mostro o nome
Com poucas letras
É um telegrama
Nosso verbo ser
É uma identidade
Mas sem projeto
E se temos verbo
Com objeto
É bem mais direto
No entanto falta
Ter um sujeito
Pra ter afeto
Mas se é um sujeito
Que se sujeita
Ainda é objeto
Todo barbarismo
É o português
Que se repeliu
O neologismo
É uma palavra
Que não se ouviu
Já o idiotismo
É tudo que a língua
Não traduziu
Mas tem idiotismo
Também na fala
De um imbecil
Grammatica
Het zelfstandig naamwoord
Is de vervanger van de inhoud
Het bijvoeglijk naamwoord
Is onze indruk van bijna alles
Het verkleinwoord
Is wat de wereld samendrukt
En het klein maakt
De imperatief
Is wat anderen onder druk zet en ze doet zwijgen
Een man van letters
Die ideeën uitspreekt
Raakt altijd in vuur en vlam
Een man van ideeën
Gebruikt geen letters
Maakt een ideogram
Als hij de letters verandert
En de naam verbergt
Maakt hij een anagram
Maar als ik de naam laat zien
Met weinig letters
Is het een telegram
Ons werkwoord zijn
Is een identiteit
Maar zonder plan
En als we een werkwoord hebben
Met een object
Is het veel directer
Toch ontbreekt het
Aan een onderwerp
Om affectie te hebben
Maar als het een onderwerp is
Dat zich onderwerpt
Is het nog steeds een object
Elke barbarisme
Is het Portugees
Dat zich heeft afgekeerd
Het neologisme
Is een woord
Dat niet gehoord is
En het idiotisme
Is alles wat de taal
Niet heeft vertaald
Maar er is ook idiotisme
In de spraak
Van een idioot