La Cueca Larga de Los Meneses
(cueca larga)
Voy a cantarme una cueca
Más larga que sentimiento
Para que mi negro vea
Que a mí no me cuentan cuentos.
Los bailarines dicen
Por armar boche
Que si les cantan, bailan
Toda la noche.
Toda la noche, sí,
Flor de zapallo,
En la cancha es adonde
Se ven los gallos.
Cantan los gallos, sí,
Vamos en uno,
Esta es la cueca larga
De san beinuno.
No hay mujer que no tenga,
Dice mi abuelo,
Un lunar en la tierra
Y otro en el cielo.
Otro en el cielo, mi alma,
Por un vistazo
Me pegara dos tiros
Y tres balazos.
Me desarmara entero,
Vamos en cuatro,
Hacen cuarenta días
Que no me encacho.
Que no me encacho, cinco,
Seis, siete, ocho,
Tápate las canillas
Con un gangocho.
Con un gangocho, sí,
Vamos en nueve,
Relampaguea y truena
Pero no llueve.
Pero no llueve, no,
Dos veces cinco,
Entre cucao y chonchi
Queda huillinco.
Que te parece, negro,
Vamos en once
Si te venís conmigo...
Catre de bronce.
Catre de bronce, mi alma,
Si fuera cierto
Me cortara las venas,
Me caigo muerto.
Muerto me caigo, doce,
Y una son trece.
Esta es la cueca larga
De los meneses.
De los meneses, sí,
Catorce, quince,
Esos ñatos que bailan
Son unos linces.
Son unos linces, mi alma,
Mueven los brazos,
Y a la mejor potranca
L'echan el lazo.
L'echan el lazo, sí,
Dieciséis días
Se demoran los patos
En sacar cría.
En sacar cría, ay sí,
Por un cadete
Se ha matado una niña
De diecisiete.
De diecisiete, bueno,
Yo no me enojo,
La libertad es libre
¡viva el dieciocho!
Cae el agua y no cae,
Llueve y no llueve.
Esta es la cueca larga
Del diecinueve.
De Lange Cueca van de Meneses
(lange cueca)
Ik ga een cueca zingen
Die langer is dan gevoel
Zodat mijn zwarte kan zien
Dat ze mij geen verhalen vertellen.
De dansers zeggen
Om wat lawaai te maken
Dat als ze zingen, ze dansen
De hele nacht.
De hele nacht, ja,
Bloem van de pompoen,
Op het veld is waar
Je de hanen ziet.
De hanen zingen, ja,
Laten we samen gaan,
Dit is de lange cueca
Van san beinuno.
Er is geen vrouw die niet heeft,
Zegt mijn opa,
Een moedervlek op de aarde
En een andere in de lucht.
Een andere in de lucht, mijn ziel,
Met een blik
Zou ik twee schoten krijgen
En drie kogels.
Hij zou me helemaal ontdoen,
Laten we met vier gaan,
Het is veertig dagen
Dat ik niet meer kan.
Dat ik niet meer kan, vijf,
Zes, zeven, acht,
Bedek je scheenbenen
Met een gangocho.
Met een gangocho, ja,
Laten we met negen gaan,
Het bliksemt en dondert
Maar het regent niet.
Maar het regent niet, nee,
Twee keer vijf,
Tussen cucao en chonchi
Blijft huillinco over.
Wat denk je, zwart,
Laten we met elf gaan
Als je met me meegaat...
Bronzen bed.
Bronzen bed, mijn ziel,
Als het waar was
Zou ik mijn aderen doorsnijden,
Ik val dood neer.
Dood val ik neer, twaalf,
En één is dertien.
Dit is de lange cueca
Van de meneses.
Van de meneses, ja,
Veertien, vijftien,
Die snuiters die dansen
Zijn een stel lynxen.
Zijn een stel lynxen, mijn ziel,
Ze bewegen hun armen,
En naar het beste merrieveulen
Werpen ze de lasso.
Werpen ze de lasso, ja,
Zestien dagen
Doen de eenden erover
Om jongen te krijgen.
Om jongen te krijgen, oh ja,
Voor een cadet
Is een meisje van zeventien
Doodgeschoten.
Van zeventien, goed,
Ik word niet boos,
Vrijheid is vrij
Leve de achttien!
Het regent en het regent niet,
Het regent en het regent niet.
Dit is de lange cueca
Van negentien.